Het diploma Buitenboordmotor I/II wordt uitgereikt aan personen die blijk hebben gegeven de volgende onderdelen met een boot met buitenboordmotor onder eenvoudige omstandigheden (tot windkracht 3 Beaufort) bij daglicht op meren en/of kanalen (vaarwater klasse 1 t/m 3) te beheersen.
| 1. | Het schip vaarklaar maken en klaarmaken voor de nachta. Vaarklaar maken:Controleren op lek- en regenwater. Controle van: inventaris, bevestiging van motor, aanwezige brandstof en (indien van toepassing) motorolie. Zorgdragen dat de motor goed getrimd is. b. Nachtklaar maken: Motor loskoppelen van de benzinetank. Losse inventaris opruimen. Dekzeil bevestigen. |
| 2. | Benzinetank aansluitenAls er een losse benzinetank is, deze op de juiste wijze aansluiten en ervoor zorgen dat de nippels goed in elkaar zitten en er bij het in knijpen van de bal geen lekkage is: zorgen voor ontluchten en ventileren. |
| 3. | Uitwendige controle van de motorDe motor aan de buitenkant controleren op beschadiging aan de schroef en olielekkage. |
| 4. | Starten van de motorHet op de juiste manier starten van de motor met goed gebruik van choke en gas. |
| 5. | Controle op goede werkingDe motor stationair laten draaien en controleren op overmatig trillen. Eveneens controleren op het uitlaten van koelwater. |
| 6. | Een gestrekte koers varenBij geringe zijwind een rechte koers kunnen varen over een afstand van minimaal 200m. |
| 7. | Stuurwerking van de motorVaardigheid hebben, om met de motor te sturen, waarbij men de boot (ook door de motor om te draaien) in de achteruit kan zetten, kan laten stoppen of vaart kan laten minderen. |
| 8. | Vaart minderen en stoppenZie 7. |
| 9. | Een drijvend voorwerp kunnen benaderenMet de boot een drijvende boei kunnen benaderen en stoppen, zodanig dat de boei zonder veel moeite aan boord genomen kan worden. Daarbij rekening houdend met stroom en wind. De boei mag niet varend geraakt worden. |
| 10. | Een acht en een slalom kunnen varenSturend met de motor een acht en een slalom om een aantal boeien kunnen varen. |
| 11. | Afvaren en aankomen aan een langswal- Het aankomen aan een langswal, waarbij gelet moet worden op het feit dat het schip niet meer stuurt als de schroef niet in het werk staat. Met het schip op een aangegeven plaats aan een langswal aankomen zonder dat er noemenswaardig moet worden afgehouden.-Het wegvaren van een langswal met het juiste gebruik van trossen en springen. |
| 12. | AfmerenHet schip deugdelijk vastleggen met voor- en achtertros en voor- of achterspring. Bij het aanbrengen van de spring de juiste keuze kunnen maken om hem als voor- of achterspring te gebruiken. Het beleggen op een bolder of een kikker dient op de juiste wijze gedaan te worden. |
| 13. | Ankeren en anker op gaanBij het ankeren de boot in de wind varen en de vaart eruit halen. Als de boot stilligt het anker overboord zetten. Ervoor zorgen dat het anker niet 'onklaar' raakt. De boot langzaam achteruit (laten) varen en voldoende ankerlijn (ketting) steken.Bij het anker op gaan, de motor stand-by hebben en het anker op de juiste manier aan boord opbergen. |
| 14. | Brandstof bijvullenAls er brandstof bijgevuld wordt, daarbij de nodige voorzorgen in acht nemen. Losse tanks aan de wal vullen en voorzorgen treffen om morsen te voorkomen. |
| 15. | SchiemanswerkDe volgende knopen vlot kunnen leggen: platte knoop, paalsteek, halve steek, mastworp. Een lijn juist kunnen opschieten. Een lijn goed kunnen beleggen op een kikker of bolder. |
| 16. | TerminologieAfhankelijk van het type schip de namen van acht onderdelen en hun functie kunnen benoemen. |
| 1. | Terminologie van schip en motorDe volgende onderdelen moeten gekend worden: boeg, stuurboord, bakboord, steven, spanten, spiegel, motorsteun, vrijboord.Van de motor de bougie, brandstofslang, carburator, koelwateruitlaat, gas- en choke handel. Hiervan ook de functie kunnen aangeven. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 2. | Meest voorkomende storingen verhelpenEen vette bougie kunnen herkennen en reinigen. De brandstofslang op verstopping kunnen controleren. De mengverhouding van de brandstof kennen. Een breekpen (indien aanwezig) kunnen vervangen. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 3. | JachtetiquetteDe goede gebruiken ten opzichte van andere watersporters kennen. De verantwoording kennen ten opzichte van het milieu. Het kennen van de vlagvoering van het eigen schip. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 4. | VeiligheidKunnen aangeven waarom het belangrijk is om voorzorgmaatregelen te treffen om de veiligheid aan boord zo optimaal mogelijk te maken. Daarbij rekening houden met benzine als brandstof.De reddingsmiddelen aan boord moeten voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. Het gebruik kennen van zwemvesten, reddingslijn en reddingsboei. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 5. | ReglementenDe reglementen voor dit type schip uit het BPR kennen, en in de praktijk en vanuit een schets kunnen toepassen:Art. 1.01 lid a, b, b1, h, i, n, o, s, v, w
|