| 1. | Catamaran zeilklaar en nachtklaar makenZeilklaar maken op de wal: rompen afsluiten, controle staand en lopend want, borgen controleren en inventaris compleet maken.Opruimen: inventaris en schoon schip maken, catamaran opbergen in nachtstalling. |
| 2. | Catamaran in en uit het water halen en verhalenTe water laten: roeren en evt. zwaarden omhoog. Boot zonodig met meer personen te water laten.Uit het water halen: roeren en evt. zwaarden omhoog. Boot zonodig met meer personen uit het water halen. Verhalen: de catamaran op het land en in het water kunnen verplaatsen voor een korte periode. Denk bij al deze acties aan de juiste tiltechniek (de benen tillen en de rug is vertikaal gestrekt). Voorkom dat de catamaran, andere boten of de wal beschadigingen oplopen. |
| 3. | Hijsen en strijken van de zeilenZeil hijsen: de catamaran met de kop in de wind leggen. De zeillatten van het grootzeil op spanning brengen. Grootzeilval bevestigen. Grootzeil hijsen en het voorlijk begeleiden in de mastgleuf. Controleer na het hijsen of het grootzeil in het topslot zit, controle door trekken aan het voorlijk. Aanslaan van voorlijkstrekker, grootschoot en onderlijkstrekker. Na het hijsen van de fok het voorlijk op spanning brengen en de schoten bevestigen, schoten borgen. Zeil strijken: zeilen droog afslaan. |
| 4. | Stand, bediening en sturende werking van de zeilenZeil: altijd een optimale zeilstand nastreven ten opzichte van windrichting en gewenste koers. Daarbij dient de stuurman ook gebruik te maken van de telltales in het grootzeil en/of fok.Sturende werking van de zeilen: gebruik maken van oploevende en lijgierige werking van het grootzeil en de fok. |
| 5. | Sturen, roer en zwaardbedieningSturen: steeds optimaal kunnen sturen ten opzichte van windrichting en zeilstand. Het geven van overmatig roer vermijden.Roeren en zwaarden: roeren en eventueel zwaarden steken. Daarbij letten op de diepte van het vaarwater. |
| 6. | Overstag gaan en overstag gaan vermijdenVan goed aan de wind varen over de ene boeg naar goed aan de wind varen over de andere boeg. Het geven van overmatig roer vermijden.Overstag gaan: grootschoot uit de klem halen, fokkenist uit de trapeze. Als de zeillatten naar de nieuwe lijzijde bollen, moet de fok pas over, gaat de stuurman verzitten en de fokkenist weer in de trapeze. De bemanning zorgt voor een goede gewichtsverdeling. De overstagmanoeuvre moet in een vloeiende beweging uitgevoerd worden. Dat betekent niet deinzen tijdens de manoeuvre of direct hierop anticiperen. Overstag gaan vermijden: als de omstandigheden het noodzakelijk maken, moet overstag gaan omzeild kunnen worden. Overstag gaan voorkomen door afvallen, gijpen, direct naar de hoge kant en de boot laten loeven. |
| 7. | OpkruisenOptimaal gebruik maken van de aan de windse koersen om een bovenwinds gelegen punt te bezeilen. |
| 8. | Gijpen en gijpen vermijdenGijpen van ruime wind over de ene boeg naar ruime wind over de andere boeg vloeiend kunnen uitvoeren. Ruime wind gaan varen. Op de knieën zitten met de rug naar de boeg. De joystick naar achter brengen tussen de drijvers. De roerhand pakt de crossbar, de vrije hand gaat buiten de schootbundel om naar de andere kant van de crossbar (nieuwe roerhand). De oude roerhand pakt daarna de schootbundel. De nieuwe roerhand stuurt de spiegel van de catamaran door de wind. De oude roerhand brengt de schootbundel, naar beneden trekkend, over. Dit moet gebeuren op het moment dat de fok geen wind meer vangt. Tijdens het gijpen 'een oogje in het zeil houden' naar voren.Gijpen vermijden: als de omstandigheden het noodzakelijk maken, moet gijpen vermeden kunnen worden. Gijpen voorkomen door: oploeven, overstag gaan en daarna afvallen tot de gewenste koers. |
| 9. | AfkruisenOptimaal gebruik maken van de ruime windse koersen om een benedenwinds punt te bezeilen. |
| 10. | AfvarenBij het afvaren de andere scheepvaart en recreanten niet hinderen. Als afvaren niet mogelijk is, moet de catamaran verhaald worden naar een plaats waar dat wel mogelijk is. De grootschoot moet voldoende loos hebben. Langs de hoge kant aan boord komen. Afvaren over de grootste hoek van de catamaran met de wal. Als in ondiep vaarwater afgevaren wordt, alleen het loefroer steken. |
| 11. | AankomenBij het aankomen op een aangegeven plaats moet er een juiste snelheidsregeling zijn. Twee manieren om de snelheid te regelen zijn: catamaran in de wind draaien en/of de schoten laten vieren. Tijdens het aanleggen moet sprake zijn van een optimale gewichtsverdeling. |
| 12. | Opvangen van windvlagenBij het invallen van een windvlaag met behulp van het eigen gewicht van de bemanning de catamaran stabiel houden. De stuurman en fokkenist dienen de boot met hun gewicht en zeil zo te trimmen, dat de catamaran het water blijft toucheren (kissing the water). Als de bemanning niet in staat is de catamaran in balans te houden dienen de schoten gevierd of iets opgeloefd/afgevallen te worden zodat de hellingshoek van de boot niet te groot wordt. |
| 13. | GewichtsverdelingDe optimale positie op de catamaran kunnen kiezen, zodat het gewicht van de bemanning de boot in dwars- en lengterichting stabiel houdt, al dan niet gebruik makend van de trapeze. |
| 14. | Trapeze staan fokkenist en stuurmanBij het trapeze staan, moeten stuurman en fokkenist de catamaran in evenwicht houden zowel in lengte- als in breedterichting. Bij het naar buiten (in de trapeze) gaan van de fokkenist is het voorste been gestrekt en het achterste gebogen, wegduwen met de achterste hand en naar voren blijven kijken. Bij het trapeze staan van de fokkenist is zijn voorste been vrijwel gestrekt en het achterste been licht gebogen. Tijdens het trapeze staan moet de fok goed bediend blijven. Het handvat mag alleen tijdens het aan boord stappen (uit de trapeze) gebruikt worden.Het naar buiten gaan van de stuurman (in de trapeze) gaat in vergelijking met de fokkenist net andersom. De stuurman zet het achterste been op de rand van de drijver en duwt met de voorste hand af. Tijdens het uitstappen moet de catamaran op koers blijven. Tijdens het trapeze staan van de stuurman moeten grootschoot en roer goed bediend blijven. Ook voor de stuurman geldt dat het handvat alleen tijdens het aan boord stappen (uit de trapeze) gebruikt mag worden. |
| 15. | Omslaan en weer rechtzettenOmslaan: de catamaran in een oefensituatie kunnen laten omslaan. Dit kan door tijdens het overstag gaan alles vast te laten zitten en als bemanning te blijven zitten, zodat de catamaran naar de kant van de bemanning omslaat. Na het omslaan, voorkomen dat de boot doorkentert en de mast daardoor in de grond komt. Als de catamaran is omgeslagen te allen tijde de boot vasthouden.Rechtzetten: voor het rechtzetten van de catamaran is nodig dat de bemanningsleden onderling communiceren, dat de overloop (traveller) en schoten los zijn en dat de joystick tussen de drijvers naar achter wijst. De catamaran moet zwemmend bij de boeg zo gedraaid worden, dat de wind in de hoek tussen boeg en masttop valt. De oprichtlijn gaat over de bovenste romp, de bemanning gaat hieraan hangen met gestrekte rug en schouders zo laag mogelijk boven het water. Als de catamaran over het zwaartepunt heen is, moet de bemanning zo snel mogelijk naar de onderste romp om doorslaan te voorkomen. De bemanning komt aan boord tussen de voorbeam en de drijver. Voorzichtig met je trapezehaak! Als één van de bemanningsleden de boot zwemmend niet meer kan bereiken, moet de catamaran zo snel mogelijk worden doorgekenterd. |
| 16. | BijliggenKunnen bijliggen door: het geven van maximale roeruitslag naar loef en naar loef behouden, grootschoot vieren en de fok enigszins laten killen/aanhouden.Kunnen zorgen voor een gewichtsverdeling zodanig dat de catamaran stabiel blijft. |
| 17. | Een in de winds punt kunnen bezeilenOptimaal aan de wind kunnen varen over de ene boeg naar goed aan de wind kunnen varen over de andere boeg en al doende tegen de wind in opwerken. In de slagen dient steeds hoog aan de wind gezeild te worden. Bij de laatste slag moet een dwarspeiling het juiste moment van overstag gaan bepalen zodat het te bezeilen punt niet in grote mate 'overzeild' wordt. |
| 18. | Man over boordsituatieAls iets of iemand over boord valt, de catamaran direct in de wind sturen (noodstop). Dit om het voorwerp of de persoon in het zicht te behouden en de persoon de gelegenheid te geven de catamaran zwemmend te bereiken. Het lukt de persoon of voorwerp direct aan boord te halen.Als dit niet lukt, zijn er verschillende mogelijkheden. Bemanningslid over boord: met de catamaran kenteren (zie omslaan) om dicht bij je bemanningslid te blijven. Bij een bemanningslid overboord op zee altijd kenteren. Voorwerp over boord: als het niet lukt het voorwerp direct weer aan boord te halen (omdat je bijv. te ver bent door gevaren) ga dan zo snel mogelijk overstag. Vaar op een halve windse koers terug en nader het voorwerp met een rustige opschieter. Het voorwerp aan loefzijde aan boord halen. |
| 19. | Aanvarings-/achtergrondpeiling kunnen makenKunnen vaststellen of er gevaar voor aanvaring zal ontstaan bij kruisende koersen. Dit kan gedaan worden door tijdig inschatten van koers en snelheid van jezelf en de andere boot en/of door een peiling te nemen op de achtergrond. |
| 20. | Bijzondere vaartechniekenDeinzen: met gehesen zeil recht in de wind achteruit kunnen varen en daarna over een van tevoren vastgestelde boeg volvallen en wegvaren. Drijven op de boeg: recht achteruit kunnen varen. Hierbij zit de bemanning op de boeg verdeeld over beide drijvers en de roeren zijn omhoog. |
| 21. | WedstrijdzeilenEen wedstrijdbaan kunnen varen waarin alle koersen voorkomen: aan de wind, halve wind, ruime wind en een voor de winds rak. Bij het ronden van de boeien dient een niet te grote omweg te worden gemaakt. Kunnen starten en finishen. |
| 22. | Samenwerking tussen de bemanningsledenDe catamaran moet duidelijk samen gevaren worden, er moet sprake zijn van goede onderlinge communicatie. Samenwerking tussen de bemanningsleden moet vooral te zien zijn bij manoeuvres als gijpen en overstag gaan, de gewichtstrim tijdens het varen, bij het afvaren en aankomen en het rechtzetten van de catamaran. |
| 23 | ZeiltrimEen juiste afstelling van alle trimmogelijkheden al naar gelang de windsterkte en de massa van de bemanning. In het bijzonder: de maststand, de buiging en rotatie mogelijkheid, de spanning op de lijken en zeillatten en de stand van de overloop. |
| 24. | Catamaran opruimen voor langere periodeDe catamaran afwaterend kunnen neerleggen en windvast zekeren. De luchtkasten laten leeg lopen en ze niet hermetisch afsluiten (om expansie door verwarming te vermijden). Lijnen opschieten en zeilen opruimen. |
| 25. | Toepassing van de reglementenDe voor dit niveau geëiste reglementen tijdens het varen toepassen. |
| 26. | Varen met een volgboot, ankeren en eenvoudige reparaties uitvoerenEen eenvoudige (buitenboord)motor kunnen bedienen en ermee kunnen manoeuvreren. Dagelijkse controle kunnen uitoefenen en eenvoudig onderhoud kunnen uitvoeren. Voor anker komen: het anker moet voor gebruik gereed zijn. Voor afvaart controleren dat het anker vastzit aan de ankerlijn, ankerlijn vast aan de volgboot en de ankertros goed opgeschoten (deze mag tijdens het vieren niet in de knoop komen).Belangrijk bij het ankeren zijn: de keuze van de ankerplaats (bodemgesteldheid, diepte), praktisch stilligen van de volgboot op het moment dat het anker te water gaat, controle of het anker houdt en het hijsen van de ankerbol. Bij anker opgaan eraan denken dat het anker schoon binnenboord komt en direct anker en ankertros klaren. |
| 27. | Slepen, gesleept worden en formeren van een sleepAls een boot gesleept wordt moet een sleeptros op een voldoende sterk punt vastgezet te zijn (bijv. sleeppaal). Bij een sleep in kiellinie van meerdere schepen moeten de sleeptrossen zo bevestigd zijn dat alleen de krachten van de eigen boot op de bevestigingspunten van de tros staan.Een sleeplijn dient zo bevestigd te zijn dat de sleper of de gesleepte de lijn snel los kan gooien. Tijdens het formeren van een sleep moeten de keuzes van het te varen parcours naar het sleepschip of de voorligger in de sleep en het wegvaren uit de sleep, de plaats en timing van strijken en hijsen de keuzevolgorde waarin de zeilen gestreken of gehesen worden, te getuigen van zo gunstig mogelijke keuzes ten opzichte van de ruimtelijke situatie, het sleepschip, andere scheepvaart en gebruik van gunstige omstandigheden van wind en water. |
| 28. Catamaran alleen varen |
| 1. | SchiemanswerkDe volgende steken bij naam kennen en op verzoek kunnen leggen: twee halve steken, waarvan de eerste slippend, achtknoop, paalsteek, platte knoop, mastworp (op 2 manieren), met slipsteek als borg, schootsteek (enkel en dubbel), werpankersteek.Een lijn juist kunnen opschieten Een lijn goed kunnen beleggen op een kikker Een benaaide of kruistakeling kunnen maken. Het afsmelten en aanbrengen van een krimpkous als vorm van takeling moet bekend zijn evenals de methode van aanbrengen van een knijphuls op staaldraad. Tevens de functie van deze knopen en steken kennen, evenals de voor- en nadelen van de diverse steken en splitsen. Kunnen aangeven dat touwsoorten kunnen verschillen in : rekvermogen, breeksterkte, slijtvastheid, wateropname en U.V.-bestendigheid. Het verschil tussen geslagen en gevlochten touwwerk moet herkend worden. De cursist moet daarbij het verschil kunnen aangeven tussen diverse soorten kunstvezeltouw. De constructie van geslagen touwwerk moet kunnen worden uitgelegd, waarbij de begrippen vezels, garens, strengen, tieren en tampen bekend moeten zijn, evenals de begrippen monofilament, multi-filament en splitfilm. Van gevlochten touwwerk moeten de begrippen mantel en (gevlochten) kern bekend zijn. De gebruiksmogelijkheden van verschillende soorten touwwerk voor landvasten, vallen, schoten, sleeplijn en ankerlijn moeten gekend worden. Weten dat touwwerk vrij van zand gehouden moet worden en zoveel mogelijk gevrijwaard van U.V.-licht. Het begrip schavielen en maatregelen daartegen moeten beschreven kunnen worden. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 2. | ZeiltermenKunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen: hoger wal, lager wal, bakboord, stuurboord, hoge en lage zijde, loef- en lijzijde, bovenlangs en onderlangs, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, binnen de wind, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, bijliggen, opkruisen, afkruisen, deinzen dwarspeiling, bezeild, overzeild, korte slag, lange slag, opschieter, zuigen, duiken, planeren, volvallen, verhalen, verlijeren, drift, knijpen, killen van het zeil, bak(-houden), werking telltales, twist en kissing the water, opschieten, beleggen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 3. | OnderdelenVan de eigen catamaran en tuigage in de praktijk en op een tekening minstens 25 onderdelen bij de juiste (evt. Engelse) naam kunnen noemen. Deze onderdelen naar eigen keuze van de kandiaat.In ieder geval moeten gekend worden de onderdelen: romp, mast, giek, roerblad, schoot, landvast, boeg, spiegel, joystick (helmstokverlenger), halshoek, schoothoek, tophoek, achterlijk, onderlijk, voorlijk, beam, crossbar (tillerbar), topslot, telltales, trampoline, overloop (traveller), trapeze, oprichtlijn, diamantverstaging, kous, (schoot-)blok, bridle, dolphinstriker, barberhauler en lopend en staand want, inspectieluikjes, spreaders (zaling), roerhuis, spinnaker, spinnakerboom, spinnakerschoot. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 4. | VeiligheidKunnen vertellen wat te doen bij een man over boordsituatie en als de catamaran omslaat.Weten wat te doen bij averij van de eigen of andermans boot. Kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen catamaran te blijven. Het belang kennen van het dragen van een zwemvest en goede kleding. Het belang kennen van het dragen van schoeisel. Het belang kennen van een goede algemene basisconditie en zwemvaardigheid. Het belang kennen van een goede warming-up. Het gevaar en symptomen kennen van onderkoeling. Kennis van het eigen vaarwater (binnenwater of zee). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 5. | ReglementenWeten welk reglement van toepassing is, ZAR of BPR. Kunnen omschrijven wat in het BPR bedoeld wordt met de begrippen:motorschip, zeilschip, sleep, assisteren, veerpont, klein schip (geheel), des nachts, des daags, korte en lange stoot, vaarweg, vaarwater (art 1.01 lid a,b,b1,c,c1,h,i,n,o,s,v,w); toplicht, boordlichten, heklicht, rondom schijnend licht (art 3.01a lid a,b,c,d) (ZAR voorschrift 3), tegengestelde koersen, oplopen (art 6.01) (ZAR voorschriften 9, 13, 14 en 15). Met eigen woorden de strekking van de artikelen 1.04 (voorzorgsmaatregelen) en 1.05 (afwijking reglement) kunnen weergeven (ZAR voorschrift 2, 8). Weten welke verplichtingen er volgens het BPR rusten op de schipper en aan welke voorwaarden de roerganger van een schip moet voldoen (1.02 en 1.09). Bovendien bekend zijn met de volgende artikelen uit het BPR:
Bijlage 6 Geluidseinen Attentie. Ik ga stuurboord uit. Ik ga bakboord uit. Ik sla achteruit. Ik kan niet manoeuvreren. Noodsein. Blijf weg sein. Verzoek tot bedienen van brug of van een sluis. Bovendien kennis hebben van artikel 5.05 omtrent verkeerstekens en van de volgende tekens uit bijlage 7 : A.9, A.13, A.15, B.10, E.16 en E.18. Bijlage 7 Verkeerstekens (Algemeen)
Kennis hebben van de reglementen aangaande het in- en uitvaren van sluizen en het doorvaren van bruggen en sluizen (6.26, 6.28 - 2bis, 3 en 7, 6.28a) en de betekenis kennen van de lichten en tekens die daarvoor van belang zijn (Bijlage 7 - A.1, A.11, B.5, D.1, E.1, G.1, G.2, G.4, G5.1a, H.3). Bijlage 7 Verkeerstekens (bij bruggen en sluizen)
Weten dat naast het BPR/ ZAR nog andere reglementen kunnen gelden en weten waar het BPR/ ZAR en deze andere reglementen gevonden kunnen worden. Weten waar het BPR geldt (vaststellingsbesluit BPR art 2) en welke andere reglementen bovendien nog op welke vaarwateren binnen zijn vaargebied gelden. Weet voor het varen met welke schepen een Klein Vaarbewijs verplicht is (Binnenschepenwet Art. 18). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 6. | Krachten op het schip en hun gevolgenAan kunnen geven wat:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 7. | GedragsregelsDe goede gebruiken ten opzichte van andere scheepvaart en recreanten kennen.Verantwoord omgaan met het milieu. Het kennen van de vlagvoering van de eigen boot en voor andere scheepstypen met één mast. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 8. | WeersinvloedenHet kunnen interpreteren van het weerbericht met betrekking tot de veiligheid van het catamaran varen, mede gelet op de eigen vaardigheid en het vaargebied. Het tijdig kunnen herkennen van voortekenen van plotselinge weersomslagen zoals onweer en zware windvlagen.Weten welke windsnelheden (in m/sec of in knopen) horen bij de verschillende stappen van de schaal van Beaufort en omgekeerd. Het verband kennen tussen de omschrijvingen die bij waarschuwingen gebruikt worden. Tabel met windsnelheden kunnen interpreteren. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 9. | Herkennen scheepstypesVijf andere type catamarans, in het eigen vaargebied, kunnen herkennen en bij de juiste typenaam noemen. Van deze catamarans moeten de rompvorm, de zeilvorm en het zeilteken gekend worden. Ook moet enige kennis aanwezig zijn omtrent de zeileigenschappen van deze catamarans. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 10. | OnderhoudKennis hebben van de noodzaak van aftappen of uitsponzen van luchtkasten/rompen en het smeren van onderdelen. Aan kunnen geven wat er gebeuren moet bij krasjes in de gelcoat, beschadigingen aan het zeil, verstaging en slijtlaag.Kennis hebben van bevestigingsmaterialen aan boord (ook boven in de mast). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 12. | Vaarproblematiek andersoortige schepenHet gevaar kennen van de dode hoek en de zuiging van grote schepen. Weten dat grote schepen (o.a. ten gevolge van hun diepgang) op smal vaarwater niet uit kunnen wijken. Weten dat ook grote vrachtschepen sterk kunnen verlijeren. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 13. | WedstrijdzeilenEen Olympische baan kunnen tekenen en van een uitgelegde Olympische baan de startrichting en de boeienvolgorde kunnen aangeven. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 14. | Materialen en bouwwijzenKennis hebben van:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 15. | Klaarmaken voor vervoerWeten hoe de catamaran vervoerd mag worden over de weg. Weten hoe de catamaran klaargemaakt moet worden voor vervoer over de weg. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 16. | AnkergereiDe volgende ankers moeten worden herkend en benoemd: Hollands stokanker, dreg, klapdreg, Danforth anker, ploegschaaranker.Het verschil in lichtgewicht ankers en volgewicht ankers moet kunnen worden aangegeven. De volgende onderdelen moeten kunnen benoemd: schacht, stok, kruis, armen en vloeien. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 17. | VolgbootVerschillende typen volgboten kennen en voor- en nadelen daarvan weten. Rescue varen .......Aan kunnen geven wat een breekpen is, waar deze toe dient en hoe die vervangen moet worden. Een bougie weten te zitten, kunnen controleren en eventueel vervangen. Weten hoe mengsmering moet worden aangemaakt. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 18. | Navigatie en getijKennis hebben en uitleg geven van navigatie en getij die op het eigen vaargebied van belang zijn.De betekenis van de rode en groene (splitsings)tonnen volgens het SIGNI-systeem moet gekend worden. In staat zijn waterkaarten te lezen en informatie op te zoeken in deel 1 en 2 van de Almanak voor Watersporttoerisme. Kunnen omgaan met de getijdentabel, weten wanneer het eb en vloed is, hoe getijden ontstaan en welke stroming ze tot gevolg hebben. Weten hoe zandbanken ontstaan, weten wat een zwin en een mui zijn en kennis hebben van daar aanwezige stroming. Verschillen kunnen aangeven langs de Nederlandse kust met betrekking tot bodemvormen, zandbanken, strekdammen en stromingen. Invloed aan kunnen geven van de wind op stroming. |
De eisen zijn conform de algemene eisen voor het opleidings- en examenprogramma.
De eisen zijn conform de algemene eisen voor het opleidings- en examenprogramma. Met de volgende aanvullingen en wijzigingen: