Diploma eenmans/tweemans Jeugdzeilen III

Het CWO-diploma eenmans/tweemans Jeugdzeilen III is bedoeld voor personen t/m 15 jaar die bewezen hebben in een eenmans/tweemans jeugdboot onder normale omstandigheden (waaronder wind t/m windkracht 5 Beaufort, niet op drukke scheepvaartroutes) de volgende onderdelen te beheersen.

Eisen praktijk

  1. Boot zeilklaar en nachtklaar maken.
  2. Zeil aan- en afslaan.
  3. Boot te water laten, uit het water halen en verhalen.
  4. Stand en bediening van de zeilen.
  5. Sturen, roer- en zwaardbediening.
  6. Overstag gaan.
  7. Gijptechnieken.
  8. Aanlopen bovenwinds gelegen punt.
  9. Opkruisen nauw vaarwater.
  10. Afvaren van hoger wal en langswal.
  11. Afvaren van lager wal.
  12. Aankomen aan hoger wal en langswal.
  13. Aankomen aan lager wal.
  14. Hangtechniek en gewichtsverdeling.
  15. Boot stilleggen en op gang brengen.
  16. Omslaan en oprichten van de boot.
  17. Bijzondere vaartechnieken: planeren, varen op golven, achteruit zeilen.
  18. Afmeren van de boot.
  19. Veilig handelen bij windvlagen.
  20. Zeiltrim.
  21. In de sleep komen, gesleept worden, uit de sleep gaan.
  22. Puzzel- en/of toertocht volbrengen.
  23. Kennismaken met wedstrijdzeilen.
  24. Man over boord manoeuvre (alleen Jeugdzeilen tweemans).
  25. Bemannen: samenwerken en fok bedienen (alleen Jeugdzeilen tweemans).

Eisen theorie

  1. Schiemanswerk.
  2. Zeiltermen en benaming van onderdelen van de boot.
  3. Reglementen.
  4. Onderhoud van de boot.
  5. Vaarproblematiek van grote schepen.

Toelichting op de praktijkeisen

1.

Boot zeilklaar en nachtklaar maken

Een boot geheel op en af kunnen tuigen. Daarna boot opruimen en stormzeker opbergen.
2.

Zeilen aan- en afslaan

Juiste steek toepassen voor het bevestigen van de lijken aan giek en mast. Juist bevestigen van de bindsels van de verschillende hoeken van het zeil. Zeillatten niet vergeten.
3.

Boot te water laten, uit het water halen en verhalen

Omschrijving als bij Jeugdzeilen eenmans/tweemans II.
4.

Stand en bediening van de zeilen

Correcte zeilstanden op alle koersen, bij hoog aan de wind schoot strak houden en oploeven en door middel van sturen de windveranderingen opvangen.
5.

Sturen, roer- en zwaardbediening

Zeker sturen m.b.v. joystick in bovengreep, niet onnodig veel roer geven. Indien van toepassing: zwaardbediening naar gelang windkracht en koers dient goed verzorgd te worden. In tweemansboot fokwerking zo mogelijk benutten.
6.

Overstag gaan

Van hoog aan de wind tot hoog aan de wind: De zeilschoot en de helmstokverlenger goed onder controle houden en pas gaan verzitten als de giek over de nieuwe boeg komt. Inzicht en juiste uitvoering vereist.
7.

Gijptechnieken

  • Gijpen nagenoeg zonder koerswijziging ('S-gijp').
  • Gijpen gevolgd door snelle koerswijzing tot aan de wind ('noodgijp'). (Is alleen mogelijk in kleine zwaardboten)
  • Gijpen vermijden door overstag gaan ('stormrondje').
8.

Aanlopen bovenwinds gelegen punt

Zonder overbodige slagen en een behoorlijke dwarspeiling een bovenwinds gelegen punt (bijv. een boei) aanzeilen.
9.

Opkruisen in een nauw vaarwater

Zorgen voor behoud van snelheid. Opmerken en toepassen van de lange en korte slag, indien de wind niet precies in het verlengde van het vaarwater staat.
10.

Afvaren van hoger wal en langswal

Opletten dat andere vaartuigen niet gehinderd worden. Zelf afduwen.
Hoger wal: Afvaren over de juiste boeg (grootste hoek schip/wal).
  • Zeilschoot vieren tijdens volvallen.
  • Juiste toepassing roer voor deinzend schip.
Langswal: Afvaren in de voorwaartse richting.
Deze manoeuvres moeten zonder hulp van buitenaf worden uitgevoerd.
11.

Afvaren van lager wal

Een eind uit de wal peddelen of roeien (met of zonder gezet zeil) of een helper vanaf de kant een duw tegen en in het verlengde van de giek laten geven.
N.B.: Bij het bevestigen van zwaard en roer rekening houden met de walkant.
12.

Aankomen aan hoger wal en langswal

Aankomen op een van tevoren bepaalde plaats.
Aan de wind: De snelheid wordt hierbij geregeld door het zeil te vieren en aan te halen door middel van de schoot.
Opschieter: De snelheid wordt verminderd door de boot plotseling in de wind te sturen. Afstand juist schatten.
Deze manoeuvres dienen zonder assistentie van buitenaf te worden uitgevoerd.
13.

Aankomen aan lager wal

Optimist: Bovenwinds tuig van de boot halen of door het uitscheren van de schoot (achtknoop eruit halen). Indien nodig, tijdig zwaard en/of roer eruit halen.
Tweemansboot: Aankomen met gestreken zeilen ('voor top en takel') door bovenwinds de zeilen te strijken. Of in ieder geval het grootzeil (eventueel zwaard en roer) tijdig te verwijderen.
14.

Hangtechniek en gewichtsverdeling

Hanghouding: Indien de windkracht het noodzakelijk maakt, moet worden uitgehangen met de voeten onder de hangband en de dijbenen op het boord. Voorkomen moet worden dat de rug hol getrokken wordt. De helmstokverlenger moet worden gebruikt om vanaf de juiste plaats in de boot te kunnen sturen.
Gewichtsverdeling: In langs- en dwarsrichting correct reageren op omstandigheden zodat de boot zo gunstig mogelijk in het water ligt.
15.

Boot stilleggen en op gang brengen

Omschrijving als toelichting bij Jeugdzeilen eenmans/tweemans II.
16.

Omslaan en oprichten van de boot

Alleen indien scheepstype dit mogelijk maakt: Boot ongeacht de koers om kunnen laten slaan en deze zelfstandig weer oprichten en leeghozen/varen. Eventueel spinnaker eerst bergen. Dit alles zonder hulp.
17.

Bijzondere vaartechnieken

Planeren: Gewichtsverdeling en koers aanpassen en onder de daarvoor vereiste omstandigheden in planerende toestand geraken of blijven.
Varen op golven: Gewichtsverdeling en koers aanpassen om duiken en snelheidsverlies te voorkomen.
Achteruit zeilen: Na een opschieter gemaakt te hebben de giek tegen de wind in duwen en met het roer zodanig sturen dat de boot min of meer recht achteruit blijft varen. Daarna op goede manier volvallen.
18.

Afmeren van de boot

De boot zodanig afmeren dat deze niet beschadigd wordt of andere schepen kan beschadigen. Daarbij gebruik maken van landvasten en juiste toepassing van knopen en steken en zonodig van stootkussens.
19.

Veilig handelen bij windvlagen

Zie toelichting bij Jeugdzeilen eenmans/tweemans II, punt 15.
20.

Zeiltrim

Juiste afstelling van zeil(en) naar gelang de windsterkte:
  • De stand van de spriet (geen plooien in het zeil) en/of achterlijk (open-dicht).
  • De spanning op de neerhouder (weinig bij lichte wind, meer bij meer wind).
  • De stand van de mast (voorover, rechtop, achterover).
  • De spanning op de lijken (weinig: bol zeil, strak: vlak zeil).
21.

In de sleep komen, gesleept worden, uit de sleep gaan

Samenstellen van de sleep: (rustig varende) Het zeil moet worden gestreken indien de wind dwars of voorlijker dan dwars invalt, direct na het in de sleep komen. Indien de wind achterlijker dan dwars inkomt, dient het zeil voor het in de sleep komen gestreken te worden.
Ontbinden van de sleep: (rustig varende) Het zeil moet worden gezet bij wind dwars of voorlijker dan dwars. Voor het ontbinden van de sleep en bij wind achterlijker dan dwars dient het zeil pas na het ontbinden van de sleep gezet te worden. Tijdens de strijk- en hijsmanoeuvre in de sleep wordt de sleep met minimale snelheid voortbewogen.
22.

Puzzel en/of toertocht volbrengen

Hierbij is het van belang dat al varende een bepaalde route gevolgd wordt, waarbij de bemanning zelfstandig het tempo en de oplossingen van problemen bepaalt. Dit alles wel onder beperkt toezicht.
23.

Kennismaken met wedstrijdzeilen

Een kleine Olympische baan samen met een aantal andere deelnemers 'goed' zeilen. De startprocedure bestaande uit een 6 en 3 minutensein (resp. waarschuwings- en voorbereidingssein) en startsein begrijpen en ernaar handelen. De finishlijn goed doorvaren en aanvaringen voorkomen volgens het Binnenvaart Politie Reglement.
24.

Man-over-boordmanoeuvre (alleen Jeugdzeilen tweemans)

"Zwem" toeroepen. Drenkeling in de gaten houden. Voor de wind gaan varen tot over de aan de windse lijn (± vier bootlengtes). Oploeven, dwars peilen en overstag gaan. Snelheid regelen, drenkeling aan loef houden en bij het want aan boord helpen. Evt. fok bak trekken.
25.

Bemannen: samenwerken en fok bedienen (alleen Jeugdzeilen tweemans)

Samenwerken en fok bedienen.

Toelichting op de theorie-eisen

1.

Schiemanswerk

Het op de juiste plaats en op de juiste wijze uitvoeren van de volgende knopen en steken: paalsteek, schootsteek (ook dubbel ), opschieten van een lijn, lijn kunnen beleggen op een kikker.
2.

Zeiltermen en benamingen van onderdelen van de boot

Zeiltermen: Het kunnen verklaren van de volgende termen: korte slag, lange slag, noodgijp, S-gijp, deinzen, achteruit zeilen, planeren, langswal, Olympische baan, start, finish, opschieten (van een lijn), achterlijker dan dwars.
Jeugzeilen eenmans
Benamingen: Het kunnen verklaren van de volgende begrippen: kielboot, windsurfplank, catamaran, trimaran, tell-tale.
Jeugdzeilen tweemans
Benamingen: Het kunnen verklaren van de volgende begrippen: kielboot, windsurfplank, catamaran, trimaran, tell-tale, spinnakeren, spinnaker loef- en lijschoot, spinnakerboom, spinnakerval, op- en neerhouder, spinnakerlij- en -loefoog.
3.

Reglementen

De uitwijkbepalingen in de volgende situaties kunnen toepassen:
Art. 1.01 iDefinitie van een klein schip.
Art. 6.01Weten wat er verstaan wordt onder: naderen op tegengestelde koersen en oplopen.
Art. 6.02Kleine schepen, algemene bepalingen.
Art. 6.03 lid 3 en 4Algemene beginselen.
Art. 6.03.a lid 2 en 3:Kruisende koersen van kleine schepen: volgorde van wijken van klein motorschip, klein zeilschip, klein door spierkracht voortbewogen schip.
Kruisende koersen van kleine zeilschepen onderling: sb wijkt voor bb, loef wijkt voor lij.
Art. 6.04 lid 2 en 3:Recht tegen elkaar insturen van kleine schepen: volgorde van wijken, idem als bij Art. 6.03.a lid 2 en 3.
Art. 6.09, 6.10.1Voorbijlopen.
4.

Onderhoud van de boot

Kunnen vertellen hoe boot en tuig tijdens de winter verzorgd moeten worden.
5.

Vaarproblematiek van grote schepen

· Dode hoek (uit de koerslijn blijven). · Diepgang. · Windvang (ongeladen). · Zuiging.