Het CWO-diploma Kielboot I is bedoeld voor personen die blijk hebben gegeven de volgende onderdelen onder gunstige omstandigheden (rustig vaarwater en matige wind, 3 Beaufort) te beheersen in een zeilboot met een eigen massa van tenminste 200 kg en een zeiloppervlakte van 20 mē.
| 1. | Het schip zeilklaar en nachtklaar makenZeilklaar maken: Zeilkle(e)d(en) verwijderen, kraanlijn doorzetten en mik of schaar verwijderen, fok aanslaan, fokkeschoten inscheren, vallen aanslaan. Inventaris controleren.Klaarmaken voor de nacht: Vallen losmaken en in het want of langs de mast (rammelvrij) wegwerken. Fok in zeilzak, grootzeil opdoeken, giek (en gaffel) op de mik (schaar) leggen. Kraanlijn loszetten. Zeilkle(e)d(en) aanbrengen, inventaris opruimen. |
| 2. | Verhalen van het schipZonder gebruik te maken van de motor. Alle manieren met spierkracht zijn toegelaten met dien verstande dat het verhalen geen gevaar op mag leveren voor bemanning, materiaal of andere scheepvaart. Op het schip zelf dient zo veel mogelijk vanuit de kuip gewerkt te worden. |
| 3. | Stilliggend hijsen en strijken van de zeilenMet de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet tegen de wal komt. Bemanning voorin of aan de kant van de kraanlijn plaats laten nemen.Grootzeil hijsen: Grootschoot los. Zeilbandjes los. Zonodig zeil opvangen. Gaffel tot ongeveer 45 graden (*). Vallen samen (*). Piekeval tijdelijk vastzetten (*). Klauwval vastzetten (*). Halstalie vast. Rijglijn/rakbanden zonodig corrigeren. Piek stellen, zodat een plooi van nok naar hals resteert (*). Kraanlijn zodanig los dat het zeil er geen hinder van ondervindt. (*) alleen voor gaffelzeilen Fok hijsen: Val losmaken. Zonodig naar de kuip gaan. Schoothoek aan schoot lostrekken (val ontspannen en beheerst trekken). Strietsen (dwars op de val trekken; de ruimte die ontstaat over de korvijnagel of kikker met de andere hand wegnemen). Val beleggen. Vallen/kraanlijn opschieten. |
| 4. | Stand en bediening van de zeilenZowel bij het varen van een rechte koers als bij het maken van bochten dient steeds zoveel mogelijk de juiste zeilstand te worden gevoerd. De zeilen dienen zoveel mogelijk gevierd te zijn zonder dat het voorlijk daarbij kilt. Bij oploeven is het killen van de fok en bij afvallen is het killen van het grootzeil in bescheiden mate noodzakelijk. De zeilen moeten het sturen van de boot ondersteunen. |
| 5. | Sturen, roer- en schootbedieningHet schip met behulp van het roer en de zeilen een rechte koers en bochten kunnen laten varen, zodanig dat een aangewezen punt zonder onnodige omwegen wordt aangezeild. |
| 6. | Overstag gaanVan hoog aan de wind over de ene boeg naar hoog aan de wind over de andere boeg. Als er niet hoog aan de wind wordt gevaren, dan kan een opdraaiende beweging worden gemaakt waarbij vloeiend wordt overgegaan in de overstagmanoeuvre. Commando's:
|
| 7. | Opkruisen in breed vaarwaterGoed hoog aan de wind varend en zonodig overstag gaand een in de wind gelegen punt aanzeilen. |
| 8. | Gijpen
|
| 9. | Afvaren van hoger wal
|
| 10. | Aankomen aan hoger wal (onder toezicht)In principe aan de wind aankomen. Een stukje tegen de wind in 'opschieten' is toegestaan. De snelheid wordt geregeld met de zeilen. De instructeur kan aanwijzingen geven om de aanleg veilig te laten geschieden. |
| 11. | Afmeren op de eigen ligplaatsHet schip op de eigen ligplaats kunnen afmeren. Stootkussens zonodig gebruiken om beschadigingen te voorkomen. De juiste knopen en steken moeten worden gebruikt. |
| 12. | De noodzaak van het reven onderkennenAan kunnen geven wanneer de noodzaak bestaat om te gaan reven. Dit kunnen aangeven aan de hand van: schip, zeilwater, windkracht en geoefendheid van de bemanning. Het reven zelf hoeft niet gekend te worden. |
| 13. | Toepassing van de reglementenDe uitwijkregels voor het eigen vaargebied kunnen toepassen. Een uitwijk-manoeuvre dient tijdig te worden ingezet. De bemanning mag waarschuwen voor andere scheepvaart. |
| 1. | SchiemanswerkDe kandidaat moet de volgende knopen en steken kennen en op verzoek kunnen leggen:achtknoop, twee halve steken waarvan de eerste slippend, paalsteek, reefsteek (= platte knoop), het beleggen op klamp, nagel of kikker. Tevens moet een tros kunnen worden opgeschoten. | ||||||
| 2. | ZeiltermenDe kandidaat moet kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen:hoger wal, lager wal, bakboord, stuurboord, hoge- en lage zijde, loef- en lijzijde, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen van het zeil. | ||||||
| 3. | OnderdelenOp eigen boot en tuigage in de praktijk en op een tekening minstens 15 onderde-len bij de juiste naam kunnen noemen (naar keuze van de kandidaat). Op de tekening moeten duidelijk minstens 20 verschillende onderdelen voorkomen. | ||||||
| 4. | VeiligheidDe kandidaat moet kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen boot te blijven. En tevens de eisen kennen die gesteld moeten worden aan een reddingvest. | ||||||
| 5. | ReglementenDe kandidaat moet kunnen omschrijven wat bedoeld wordt met het begrip: klein schip (art. 1.01 lid i) Alleen de bepaling omtrent de lengte.De kandidaat moet met eigen woorden de strekking van de artikelen 1.04 (voorzorgsmaatregelen) en 1.05 (afwijking reglement) kunnen weergeven. De volgende regels uit het BPR aan de hand van situatieschetsen kunnen toepassen:
| ||||||
| 6. | Krachten op het schip en hun gevolgenDe kandidaat moet aan kunnen geven wat de effecten zijn van de fok en grootzeil op het sturen van het schip. Ook aan kunnen geven wat er gebeurd bij een onjuiste zeilstand. |