Diploma Kielboot IV

Tevens eigen vaardigheid Instructeursniveau A-Kielboot

Dit CWO-diploma kan alleen worden verkregen nadat er een examen is afgelegd onder toezicht van een erkend examinator. Het diploma zelf staat gelijk aan het eigen vaardigheidsniveau van de Zeilinstructeur A-opleiding.

Eisen praktijk

  1. Aanslaan van de zeilen.
  2. Schip zeilklaar maken en klaarmaken voor de nacht.
  3. Verhalen van het schip.
  4. Hijsen en strijken van de zeilen zowel stilliggend als varend.
  5. Stand en bediening van de zeilen.
  6. Bovenwinds gelegen punt kunnen bezeilen.
  7. Opkruisen in nauw vaarwater.
  8. Gijpen en gijpen kunnen vermijden.
  9. Afvaren van en aankomen aan hoger wal.
  10. Man-over-boordmanoeuvre kunnen uitvoeren.
  11. Wegvaren van en aankomen aan lager wal.
  12. Afmeren.
  13. Kunnen reven op het eigen schip.
  14. Ankeren en anker op gaan.
  15. Varen in kanalen, passeren van bruggen en sluizen.
  16. Doelmatigheid in vaargedrag vertonen.
  17. Zeil- en scheepstrim.
  18. Loskomen van aan de grond.
  19. Bedienen van een binnen- of buitenboordmotor.
  20. Schiemanswerk.
  21. Aanvarings-/achtergrondspeiling kunnen maken.
  22. Toepassing van de reglementen.
  23. Terminologie.

Eisen theorie

  1. Schiemanswerk.
  2. Dagelijks onderhoud van het eigen schip en de binnen- dan wel buitenboordmotor.
  3. Scheepsbouw, materialen en onderdelen.
  4. Veiligheid en (blessure)preventie.
  5. Reglementen.
  6. Navigatie.
  7. Vaarproblematiek grote schepen.
  8. Vlagvoering en jachtetiquette.
  9. Stabiliteit.
  10. Voortstuwende en remmende krachten.
  11. Ankergerei.
  12. Het herkennen en kunnen benoemen van de meest voorkomende scheepssoorten in het eigen vaargebied.

Toelichting op de praktijkeisen

1.

Het aanslaan van de zeilen

Een zeil kunnen aanslaan aan de rondhouten van het eigen schip.
2.

Het schip zeilklaar maken en klaarmaken voor de nacht

  • Controle inventaris.
  • Eventueel schip schoon/droog maken.
  • Zeilkle(e)d(en) eraf: droge zijde droog houdend opvouwen en niet in de weg liggend opbergen.
  • Zonodig sluitingen controleren.
  • Kraanlijn aanslaan.
  • Kraanlijn doorzetten.
  • Mik, schaar, bok (dan wel stoeltje) onder giek uit en veilig opbergen.
  • Fok aanslaan
    Val van tevoren klaar hangen. Schoot aan fok bevestigen dan wel klaarleggen. Halshoek vastmaken. Leuvers van onder af aanslaan. Niet in het water laten komen. Zie verder: fok opdoeken. Fokkeschoten door de leiogen en achtknoop erop zetten. Grootzeil aanslaan:
  • Grootzeilbindsels vastmaken/controleren (*). Aanslaan: Piekeval aan spruit en spruitloperborglijn (*).Klauwval aanslaan (*). Grootzeilval aanslaan (*).
  • Zonodig reven.
  • Zelflozers (indien aanwezig) naar wens instellen.
  • Bemanning moet goed gekleed zijn en de mogelijkheid hebben zich anders te kleden als de omstandigheden veranderen.
  • Reddingvest voor elk persoon is aan boord mee en is bij voorkeur aangetrokken als een onderdeel van de regenkleding is aangetrokken.
(*) = indien van toepassing
3.

Verhalen van het schip

Zonder gebruik te maken van de motor. Alle manieren met spierkracht zijn toegelaten met dien verstande dat het verhalen geen gevaar op mag leveren voor bemanning, materiaal of andere scheepvaart. Op het schip zelf dient zo veel mogelijk vanuit de kuip gewerkt te worden.
4.

Hijsen en strijken van de zeilen

Stilliggend:
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet tegen de wal komt. Bemanning voorin of aan de kant van de kraanlijn plaats laten nemen.
Grootzeil hijsen:
Grootschoot los. Zeilbandjes los. Zonodig zeil opvangen. Gaffel tot ongeveer 45 graden (*). Vallen samen (*). Piekeval tijdelijk vastzetten (*). Klauwval vastzetten (*). Halstalie vast. Rijglijn/rakbanden zonodig corrigeren. Piek stellen zodat een plooi van nok naar hals resteert (*). Kraanlijn zodanig los dat het zeil er geen hinder van ondervindt.
(*) alleen voor gaffelzeilen

Fok hijsen:
Val losmaken. Zonodig naar de kuip gaan. Schoothoek aan schoot lostrekken (val ontspannen en beheerst trekken). Fok hijsen. Strietsen (dwars op de val trekken; de ruimte die ontstaat over de korvijnagel of kikker met de andere hand wegnemen). Val beleggen. Vallen/kraanlijn opschieten.

Varend:
Voorbereiding:
Fokkeval vastmaken aan nagelbank/knecht. Nog één zeilbandje vast met slipsteek. Kraanlijn strak aan toekomstige loefzijde. Grootschoot met slipsteek gereed om snel los te maken. Fokkeschoot klaarleggen naar stuurman toe. Grootzeilval(len) in de hand nemen (als het grootzeil eerst gehesen wordt).
Uitvoering in principe:
Stuurman gaat aan toekomstige loefzijde zitten. Bij alle koersen hoger dan halve wind eerst grootzeil en dan de fok. Bij andere koersen eerst fok, vaart lopen, oploeven tot aan de wind en grootzeil hijsen. (Zie voor het hijsen: stilliggend). Let op: Piekeval sterker doorzetten dan 45 graden, dan wel alleen de piek hijsen en met de hand voor schoothoek spelen.
Uitzonderingen:
Bij luwtes/weinig wind, vaak bij bruggen, kan het grootzeil ook gehesen worden bij ruimere koers.
Veiligheid:
Let goed op het andere scheepvaartverkeer.
5.

Stand en bediening van de zeilen

Zowel bij het varen van een rechte koers als bij het maken van bochten dient steeds zoveel mogelijk de juiste zeilstand te worden gevoerd. De zeilen dienen zoveel mogelijk gevierd te zijn zonder dat het voorlijk daarbij kilt. Bij oploeven is het killen van de fok en bij afvallen is het killen van het grootzeil in bescheiden mate noodzakelijk. De zeilen moeten het sturen van de boot ondersteunen.
6.

Bovenwinds gelegen punt kunnen bezeilen

Met zo min mogelijk slagen een in de wind gelegen punt kunnen bezeilen. Daarbij goed kunnen bepalen wanneer er overstag gegaan kan worden door het gebruik van de 'achterlijker dan dwars'-peiling. Wanneer een lange en een korte slag gemaakt moeten worden, bij voorkeur met de korte slag bij het in de windse punt aankomen.
7.

Opkruisen in nauw vaarwater

Goed hoog aan de wind zeilen en rekening houden met het andere scheep-vaartverkeer. Wanneer de wind van één van de oevers waait, zal het in nauw vaarwater noodzakelijk zijn de korte slag met een knik in de schoot te varen teneinde voldoende snelheid te krijgen voor een vloeiende overstagmanoeuvre.
8.

Gijpen

Aan zien komen wanneer er gegijpt moet worden.`De stuurman attendeert de bemanning op de komende gijp. Het overkomen van het zeil moet pal voor de wind gebeuren. Na de gijp zit de stuurman aan de hoge zijde. Het schip moet een vloeiende, zonodig gestrekte, koers blijven varen. 'Nieuwe' fokkeschoot wordt gepakt. Eventueel opnieuw fok te loevert zetten. Direct voor en na de manoeuvre moet de zeilstand juist zijn. Met name het vieren van de schoot moet snel gebeuren.
Gijpen vermijden: Indien de omstandigheden het noodzakelijk maken moet een gijp vermeden kunnen worden. Bijvoorbeeld het vervangen van de gijp door het maken van een 'stormrondje'. Bij een 'stormrondje' dient rustig te worden opgeloefd en na de overstagmanoeuvre vlot te worden afgevallen door het grootzeil flink los te zetten en de fok bak te blijven houden. Het strijken van het grootzeil is ook een mogelijkheid om de 'gijp' (althans met het grootzeil) te vermijden.
9.

Afvaren van en aankomen aan hoger wal

Afvaren:
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet tegen de wal komt. Landvast(en) losmaken, opschieten en paraat opbergen. Bemanning evenredig over sb en bb verdelen. Stuurman aan de helmstok aan de toekomstige loefzijde.
Schoten goed los. Goed uitkijken voor een veilige afvaart. Afzet van de wal naar de gewenste (grootste hoek schip/wal) richting (bij langswal ook vooruit) of recht achteruit. Zonodig fok bak. Afduwer gaat aan de loefzijde van de fok naar de kuip. Zonodig moet er worden gedeinsd.
Aankomen:
  • De aankomst aan hoger wal dient ook zonder een 'dwarspeiling' te kunnen worden uitgevoerd.
  • Landvasten gereed leggen/houden en vastmaken aan het schip.
  • Schip moet stilliggen vlak voor de op de wal aangegeven plaats op één der aan de windse koersen (zonodig afhouden op veilige wijze).
  • Het schip moet zoveel mogelijk loodrecht op de wal aankomen.
  • De snelheidsregeling moet zichtbaar zijn. De controle op volledige killende zeilen (op de juiste koers varend) moet hebben plaatsgevonden.
  • Het bemanningslid dat vast gaat maken, blijft zo lang mogelijk 'laag' en houdt zich gereed met het landvast in de hand. Via de loefzijde aan de wal stappen (niet springen).
10.

Man-over-boordmanoeuvre

"Man over boord" constateren en "Zwem" toeroepen.
Zonodig een drijfmiddel toewerpen. Op elke willekeurige koers afvallen naar voor de wind. Er dient iemand te wijzen als de drenkeling moeilijk zichtbaar is. Voor de wind varen totdat je over de aan de windse lijn heen bent (ongeveer 4 bootlengtes). Oploeven en aan de wind gaan varen. Stuurman constateert of laat constateren: "man dwars". Overstag. Snelheid regelen (niet stil gaan liggen) en langzaam aan lij van de drenkeling komen Bemanning geeft aanwijzingen voor de koers in de laatste meters. Bemanning staat aan loef klaar om drenkeling vast te pakken. Bemanning roept "man vast" als dat het geval is. Fok wordt bak getrokken. Drenkeling aan loef, op het draaipunt van het schip (achter het want), zijdelings en zo horizontaal mogelijk binnenhalen. Bijliggen. EHBO toepassen.
11.

Wegvaren van en aankomen aan lager wal

Wegvaren
Voorbereiding: Zie 'Varend zeil hijsen'. Vaarboom klaarleggen aan de walzijde voor de afzet. Zonodig schip draaien zodat bij het afvaren het schip al zoveel mogelijk de goede kant opgaat. Daarbij in gedachten houden of:
a. het schip door de wind gedrukt moet worden. (mogelijk bij weinig wind)
b. het schip niet door de wind gedrukt hoeft te worden. (voor zware schepen of veel wind).
Uitvoering: Het schip vaart geven d.m.v. duwen via vaarboom, giek of want. Zie 'Varend zeil hijsen'. Schip klaren.
Veiligheid: Houd de periode zonder zeil zo kort mogelijk.
Aankomen
Voorbereiding: Stootwillen op de juiste plaats bevestigen en zo mogelijk terug in het schip leggen. Afstoplijn zonodig gereed maken en beleggen in de buurt van het draaipunt van het schip. Vallen klaar maken voor het vrij uitlopen tijdens het strijken. Kraanlijn aan toekomstige loefzijde. Zeilbandjes gereed houden.
Uitvoering: De keuze van het al dan niet eerst strijken van de fok hangt af van de bekwaamheid van de bemanning en de bestuurbaarheid van het schip. Fok zonodig strijken. Grootzeil bovenwinds strijken op aan de windse koers.
Grootzeil strijken: Voorstrijk (vallen 20 cm vieren). Grootschoot vast. Vlot strijken. Grootzeil aan loef binnenhalen. Zeilbandjes vast.
Fok strijken: Niet in het water laten komen. Fok opdoeken. Stootwillen uithangen.

Bij aankomst:
a. via opdraaimethode: vaart verminderen door tegen de wind in te sturen
b. via afstopmethode: afstoppen met afstoplijn.
Veiligheid: Schip 'vierkant' houden. De bemanning niet aan de lijzijde achterin de kuip. Werkende en meevarende bemanning zo snel mogelijk laag in de kuip plaats laten nemen. Het uitzicht van de stuurman wordt belemmerd, dus de bemanning moet mee uitkijken. De situatie moet zo kort mogelijk duren, dus zo snel mogelijk uitvoeren. Niet met de handen of voeten vanaf het schip afhouden. Wel goed: afstappen en schip afhouden.
12.

Afmeren

Schip dusdanig fixeren dat ook op lange termijn schade aan eigen of andere schepen niet mogelijk is. Gebruik zo min mogelijk verbindingslijnen met de 'wal' (minder dan 3 en meer dan 6 is altijd fout). Kies de lijn zo lang mogelijk. Eerst die lijnen vastmaken die de natuurlijke beweging van het schip tegengaan (in de winds of tegenstrooms).
13.

Kunnen reven op het eigen schip

Aan kunnen geven wanneer de noodzaak bestaat om te gaan reven. Dit kunnen aangeven aan de hand van: schip, zeilwater, windkrachten geoefendheid van de bemanning. Op de eigen lesboot moet indien noodzakelijk gereefd kunnen worden.
14.

Ankeren en anker op gaan

Voorbereiding: Proefopschieter op de plaats waar je wilt gaan ankeren. Zonodig grondgesteldheid en diepte bepalen. Controle plaatsbepaling. Anker klaar maken. Uiteinde van de ankertros vastmaken aan een degelijk punt van het schip bijv. de mastkoker. Maatregelen nemen ter voorkoming van toekomstig gieren. Ankerboei vast maken. Anker gereed maken om overboord te zetten.
Uitvoering: Met gestreken fok stilliggen op ankerplaats. Anker laten vallen op het moment dat het schip stilligt. Ankertros zodanig vieren dat het zeil geen wind vangt. Zo spoedig mogelijk zeil strijken zodra het anker houdt (controle noodzakelijk). Ankerbol hijsen.
Veiligheid: Ankerlijn uitleggen over de boeg die de loefzijde wordt als je wegvaart over 'de makkelijkste of veiligste hoek'. Maatregelen nemen zodra het anker krabt. Bijvoorbeeld extra ballast voor het anker aanbrengen; zonodig direct weer onder zeil komen. Bemanning steeds op een veilige plaats houden. Anker niet werpen. Tijdens het verblijf op de ankerplaats een regelmatige controle op het krabben van het anker.
Anker op gaan:
Voorbereiding: Tros aan toekomstige loefzijde. Ankerbol strijken. Schip zeilklaar maken.
Uitvoering: Ankertros zoveel mogelijk inhalen. Grootzeil hijsen. Anker ophalen en over de bedoelde boeg wegvaren. Het schip moet vanaf dit moment goed bestuurbaar zijn. Fok moet gehesen zijn voor de eerste overstag. Anker schoonmaken en klaarmaken voor hergebruik. Schip helemaal op orde brengen.
Veiligheid: Om je heen kijken. Zolang de ankermaat bezig is met het anker een rustige koers varen dan wel bijliggen. Bemanning op een veilige plaats zetten.
Voetnoot: het moment van hijsen van de fok is afhankelijk van weer, type schip en bemanning. De hierboven gestelde eisen laten veel verschillende momenten toe, zolang de uitvoering maar aan het doel beantwoordt.
15.

Varen in kanalen, passeren van bruggen en sluizen

De kandidaat moet tijdens de opleiding kennis hebben genomen van de daarbij behorende technieken en gedragsregels. Op de beurt wachten. Geen rondjes gaan varen voor de brugopening. Zonodig een sleepje accepteren/vragen als dit de doorvaart bespoedigt. Het gebruik van de ketting om door de brug te komen. Zonodig mast strijken voor een rustige passage.
16.

Doelmatigheid in vaargedrag vertonen

De kandidaat moet met grote nauwkeurigheid varen. Het aantal gevaren meters tussen de opdracht en de uiteindelijke uitvoering ervan dient zo klein mogelijk te zijn. Hierbij dienen op inzichtelijke wijze reglementproblemen voorkomen te worden.
17.

Zeil- en scheepstrim

De kandidaat moet de functie van de bolling van het zeil kennen en zonodig kunnen beïnvloeden. Daarbij de functie kennen van de spanning op de lijkenbindsels, de helling van de gaffel en de spanning op de halstalie. Voor de fok de spanning op het voorlijk (reguleerlijntje), reguleerlijntje in achterlijk en de verstelbare leiogen. Tevens moet de helling van het schip steeds zoveel mogelijk constant blijven (een ietsje naar lij). De langsscheepse ballastverdeling moet zorgen voor zo min mogelijk turbulentie in het water.
18.

Loskomen van aan de grond

In volgorde van de moeilijkheid van de situatie, als je constateert dat je vastloopt, dien je:
  • Zo snel mogelijk van de ondiepte af te sturen.
  • Het schip te krengen om de diepgang te verminderen (denk aan de gijp in voor de windse situaties).
  • De vaarboom erbij te nemen en:
    a. door de wind bomen en wegvaren
    b. een gijp te forceren en wegvaren.
  • Het zeil te strijken en de boot via dezelfde weg terug te duwen (of zonodig te laten slepen) als dat je op de ondiepte bent gekomen.
19.

Bedienen van een binnen- of buitenboordmotor

De kandidaat wordt verondersteld met tenminste één motor om te kunnen gaan. De kandidaat moet het brandstof- en oliepeil kunnen controleren en zonodig bijvullen. De start en stopprocedure van de motor moet gekend worden (zonodig het gebruik van de choke kennen). Het gebruik van de keerkoppeling moet bekend zijn. Bij buitenboordmotoren moet gecontroleerd worden of er gevaar bestaat voor het raken van de schroef door het roer.
20.

Schiemanswerk

Toepassing en onderhoud van touwwerk: De gebruiksmogelijkheden kennen van verschillende soorten touwwerk (kunststof) voor landvasten, vallen, sleeplijn en ankerlijn. Het touwwerk moet vrij van zand en scherpe randen worden gehouden en zoveel mogelijk gevrijwaard zijn van invloed van UV-licht.
Steken en knopen en hun toepassing: Twee halve steken, slipsteek, achtknoop, platte knoop, schootsteek (enkel en dubbel), mastworp (2 manieren), paalsteek, opschieten van een tros, tros beleggen op een bolder, lijn beleggen op een klamp of nagel. Het kunnen maken van een splits in driestrengs touwwerk. Het kunnen maken van een benaaide takeling.
21.

Aanvarings-/achtergrondspeiling kunnen maken

Kunnen vaststellen of er gevaar voor een aanvaring zal ontstaan bij kruisende koersen door over het andere schip een peiling te nemen op de achtergrond.
22.

Toepassing van de reglementen

De uitwijkregels kunnen toepassen. Een uitwijkmanoeuvre dient tijdig te worden ingezet.
23.

Terminologie

Zoveel mogelijk dient de juiste naamgeving te worden gebruikt. Zowel bij de communicatie binnen de boot als tussen schepen en personen onderling.

Toelichting op de theorie-eisen

1.

Schiemanswerk

Het verschil kunnen aangeven in gevlochten en geslagen touwwerk. Zowel in fabricage, verwerking als in gebruik.
2.

Dagelijks onderhoud aan het eigen schip en de binnen- dan wel buitenboordmotor

Theoretische kennis over de controle op het vastzitten van bevestigingsmaterialen aan boord (ook bovenin de mast). Het bijwerken van kleine beschadigingen. Het schoonhouden van het schip. Weten hoe een breekpen vervangen moet worden. Een bougie weten te zitten en weten te vervangen dan wel te controleren. Aangeven hoe mengsmering moet worden aangemaakt.
3.

Scheepsbouw, materialen en onderdelen

Kennis van benaming, toepassing en functie van scheepsonderdelen en de voor- en nadelen van verschillende systemen.
  • Romp
    Jachten kunnen onderscheiden naar de volgende hoofdtypen en hoofdspantvormen.
    Hoofdtypen:
    Scherpe jachten, ronde en platbodemjachten, meerrompsjachten.
    Hoofdspantvormen:
    Rondspant, knikspant, S-spant.

  • Onderdelen
    Steven, kielbalk, spanten, spiegel, huid, schuurlijst, gangboord, voor- en achterdek, zelflozers, loosgaten, klamp, korvijnagel, verstelbaar leioog, overloop, sluiting, stootkussen, vaantje, landvast, buikdenning, mik, schaar, pagaai, bolder, lier.
  • Driftbeperking
    Driftbeperkingsmiddelen kunnen onderscheiden naar:
    Kiel, midzwaard, zijzwaarden.
    Onderdelen: kielbouten, zwaardblad, zwaardbout, zwaardkast, zwaardval, zwaardtalie.
  • Roer
    Roerconstructies kunnen onderscheiden naar:
    Aangehangen roer, doorgestoken roer.
    Onderdelen: helmstok, roerwangen, roerkoning, hennegatskoker, roerblad, scheg, roerpin, vingerlingen.
  • Rondhouten
    1. mast: steek- of zetmast (mastkoker), bovendeksstrijkbare mast (mastkoker, -bout, -wangen, nagelbank, zaling, spreider, topbeslag).
    2. giek: (wervel, bek, lummelbeslag).
    3. gaffel: (klauw, spruit).
    4. boegspriet.
    5. fokkeloet.
    6. spinnakerboom.
    7. vaarboom (teen, hak, druif)
  • Staand want
    1. voor-, fokke-, achter-, knikstag.
    2. hoofd-, topwant.
    3. spanschroeven, wantputtings, stevenbeslag.
  • Lopend want
    1. blokken (schijf en huis).
    2. fokkeval, grootzeilval, klauwval, piekeval, kraanlijn, halstalie, spinnakerval, giekneerhouder.
    3. fokkeschoten, grootzeilschoot, spinnakerschoten.
  • Zeilen
    1. voor-, boven-, achter-, onderlijk, top-, klauw-, hals-, schoothoek, kousjes, zeillatten, lattenzakken.
    2. bindsels, leuvers, rijglijn, sleetjes, ingelaten zeil.
  • Tuig- en zeilvormen
    1. cat- en sloeptuig.
    2. toren-, gaffel-, tjotterzeil.
    3. fok, genua, stormfok, spinnaker.
  • Reefsystemen
    Schootring, schootbeugel, halstalie, smeerreep, reefkousje, knuttels.
4.

Veiligheid en blessurepreventie

Zowel voor wat betreft het schip als de kleding en veiligheidsmiddelen dient de veiligheid van de opvarenden preventief gewaarborgd te zijn.
5.

Reglementen

Speciale aandacht is nodig voor het bestuderen van het reglement in zijn toepassing. Kennis van de artikelen alleen is niet voldoende. Speciaal voor hen die niet onder leiding het Binnenvaart Politie Reglement bestuderen, blijkt dit onderdeel gedurende het examen moeilijk te zijn. Men moet daarom veel aandacht besteden aan dit onderdeel. Niet de artikelen uit het hoofd leren, maar aan de hand van geschetste situaties toepassen.

Van het Binnenvaartpolitiereglement worden de volgende artikelen geëxamineerd:
Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement Art. 2
Art. 1.01 lid a, b, b1, c, c1, h, i, n, o, s, v, wBetekenis uitdrukkingen
Art. 1.02 lid 1 en 2Verplichtingen en verantwoordelijkheden schipper
Art. 1.03Verplichtingen bemanning
Art. 1.04Voorzorgsmaatregelen
Art. 1.05Afwijking reglementen
Art. 1.09Bepalingen roerganger
Art. 1.11Reglementen aan boord
Art. 2.02Kentekens kleine schepen
Art. 3.01a, lid a, b, c, dBegrippen verlichting
Art. 3.05Verboden tekens
Art. 3.07Verboden lichten of tekens
Art. 3.08 lid 1Verlichting motorschepen
Art. 3.09 lid 1, 2, 3, 4, 7Verlichting motorschepen die assisteren, dagtekens
slepen etc.
Art. 3.12Verlichting zeilschepen
Art. 3.13Verlichting kleine schepen, dagtekens klein schip dat
tegelijkertijd op motor en zeil vaart
Art. 3.20Verlichting stilliggende schepen, ankerbol
Art. 3.25Verlichting drijvende werktuigen etc., dagtekens
drijvende werktuigen etc.
Art. 3.29 lid 1Tekens i.v.m. hinderlijke waterbeweging
Art. 3.30Noodsignalen
Art. 3.38Duikersvlag
Art. 4.01 lid 1b en 4Geluidseinen van schepen
Art. 4.02Geven van geluidseinen
Art. 4.04"Blijf weg" sein
Art. 5.05Rekening houden en opvolgen van verkeerstekens
Art. 6.01Begripsbepalingen i.v.m. vaarregels
Art. 6.02Algemene bepaling kleine schepen
Art. 6.03Algemene beginselen bij ontmoeten
Art. 6.03aKruisende koersen
Art. 6.04Recht tegen elkaar insturen
Art. 6.07Tegengestelde koersen bij engte
Art. 6.09Algemene bepalingen voorbijlopen
Art. 6.10 lid 1 en 2Gedrag en seinen bij voorbijlopen
Art. 6.13 lid 1 en 4Keren
Art. 6.14Vertrek
Art. 6.16 lid 1, 4 en 5Uitvaren nevenvaarwater en oversteken
hoofdvaarwater
Art. 6.17Op gelijke hoogte varen
Art. 6.20 lid 1Hinderlijke waterbeweging
Art. 6.26Doorvaren beweegbare bruggen
Art. 6.28 lid 2 bis, 3, 7Doorvaren sluizen
Art. 6.28aIn- en uitvaren sluizen
Art. 7.09Gedogen langszij komen
Art. 7.10Medewerken bij vertrekken, verhalen etc.

Bijlage 6 Algemene seinen:
Attentie
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik sla achteruit
Ik kan niet manoeuvreren
Noodsein
Blijf weg sein
Verzoek tot bedienen van beweegbare brug of van een sluis

Bijlage 7:
A.1, A.9, A.11, A.13, A.15
B.5, B.10, D.1
E.1, E.16, E.18, G.1, G.2, G.4, G.5.1a
H.3
6.

Navigatie

De betekenis van de rode en groene (splitsings)tonnen volgens het SIGNI-systeem moet worden gekend. Het gebruik van waterkaarten alsmede de Almanak voor Watertoerisme (deel 2) dient bekend te zijn.
7.

Vaarproblematiek grote schepen

Besef hebben van de problemen van de grote scheepvaart. Daarbij moeten de volgende begrippen bekend zijn: diepgang, dode hoek, windvang in ongeladen toestand, zuiging en de benodigde manoeuvreerruimte.
8.

Vlagvoering en jachtetiquette

Het kennen van de vlagvoering voor schepen met één mast. De verantwoording ten aanzien van het milieu. De goede gebruiken ten opzichte van andere watersporters/wedstrijdzeilers.
9.

Stabiliteit

De kandidaat moet kennis hebben van de oorzaken van stabiliteit van: scherpe jachten, platbodem en ronde schepen en meerrompsjachten.
10.

Voortstuwende en remmende krachten

Met behulp van vectoren moet worden aangegeven waarom een schip vooruit gaat. Daarbij dienen de begrippen kracht, koppel en moment gekend te worden.
11.

Ankergerei

Het kennen van de volgende onderdelen: schacht, stok, kruis, armen en vloeien. Het verschil tussen lichtgewicht en volgewicht ankers moet kunnen worden aangegeven. Het herkennen en kunnen benoemen van de volgende ankers: Hollands stokanker, dreg, klapdreg, Danforth anker en ploegschaaranker.
12.

Het herkennen en kunnen benoemen van de meest voorkomende

scheepssoorten in het 'eigen' vaargebied
De examinator is vrij om een eigen selectie te maken. Bedoeld wordt tenminste van 50% van de passerende schepen een naam of een redelijk nauwkeurige type-omschrijving te geven.