CWO-diploma Kajuitjachtzeilen II

Dit diploma is bedoeld voor personen die blijk hebben gegeven onderstaande functies te kunnen uitvoeren op een kajuitzeiljacht dat de binnenwateren bevaart. Men moet zelfstandig manoeuvres kunnen uitvoeren in eenvoudige omstandigheden.

Eisen praktijk

  1. Controle schip onder- en bovendeks, motor en (veiligheids)uitrusting.
  2. Zelfstandig werkzaamheden aan dek uitvoeren (reven, zeilen wisselen en voorzeilen uitbomen).
  3. Kruisen in nauw vaarwater.
  4. Gijpen kunnen vermijden (stormrondje).
  5. Afvaren uit een box, langswal, hoger wal.
  6. Aankomen aan hoger wal, langswal, onder zeil.
  7. Man over boord manoeuvres.
  8. Bijliggen.
  9. Onbeheerd achterlaten, ook bij een kademuur op getijdewater (stalling).
  10. Inzicht en gebruik van spring en tros.
  11. Ankeren.
  12. Toepassen van krachten en effecten bij het manoeuvreren op de motor.
  13. Aflezen navigatie-instrumenten.
  14. Eenvoudige navigatie, weerberichten uitluisteren.
  15. Praktische bediening marifoon voor nautische doeleinden.
  16. Vlagvoering.

Eisen theorie

  1. Kennis motoronderdelen op niveau Vaarbewijs I.
  2. Inzicht in het aan boord krijgen en behandeling na man over boord.
  3. Inzicht in waterdichtheid van het schip.
  4. Reglementen op het niveau van Vaarbewijs I.

Toelichting op de praktijkeisen

1.

Controle schip onder- en bovendeks, motor en (veiligheids)uitrusting

Controle op de waterdichtheid van het schip alsmede de afsluiters onderdeks en controle van verstaging en borgpennen en lopend want bovendeks. Nalopen van schroefasdoorvoer, oliepeil, water en V-snaar van de motor. Inspectie veiligheidsvoorzieningen op aantal en geldigheidsdatum.
7.

Zelfstandig werkzaamheden aan dek uitvoeren (reven, zeilen wisselen en voorzeilen uitbomen)

Zonder begeleiding werkzaamheden uit kunnen voeren waarbij op het voordek en aan de mast moet worden gewerkt.
8.

Kruisen in nauw vaarwater

Het opkruisen in vaarwater met een breedte van 4 maal de bootslengte waarbij gebruik wordt gemaakt van de tactiek van de korte en lange slag, waarbij op de korte slag snelheid wordt gemaakt en op de lange slag hoogte wordt gewonnen, dusdanig dat te allen tijde een overstag mogelijk is.
9.

Gijpen kunnen vermijden (stormrondje)

Indien de omstandigheden dit vereisen (golfhoogte en windsterkte) in staat zijn middels een overstag een gijp te vermijden, waarbij indien nodig met fok bak wordt gewerkt.
10.

Afvaren uit een box, langswal en hoger wal

Hierbij op een juiste wijze gebruik maken van trossen, springen, hulplijnen en stootwilIen.
11.

Aankomen aan hoger wal of langswal onder zeil

Aankomen onder zeil bij een hogerwalsteiger op een van de volgende manieren:
  • D.m.v. een sliplanding (aan de windse aankomst) waarbij op de aan de windse koers nog extra snelheid kan worden gemaakt met het grootzeil en de fok voor het kort wegdraaien dient.
  • D.m.v. een opschieter, waarbij door het maken van een draai van minimaal 90 graden de vaart uit het schip wordt gehaald en goed gebruik wordt gemaakt van de remmende werking van het roer.
13.

Man over boord manoeuvre

Het weer aan boord halen van een bemanningslid op een veilige en snelle manier.
15.

Onbeheerd achterlaten (stalling)

Het schip dusdanig achter kunnen laten dat het bij veranderende weersomstan-digheden te allen tijde veilig ligt.
17.

Ankeren

Inzicht hebben in het uitvoeren van een ankermanoeuvre zowel op stilstaand als stromend water en zowel op motor als onder zeil. In staat zijn om het ankergerei en de ankerlier te bedienen.
Op stilstaand water onder zeil moet ook het deinzen worden beheerst.
20.

Toepassen van krachten en effecten bij het manoeuvreren op de motor

Gebruik kunnen maken van en omgaan met het schroefeffect van de motor. Ook inzicht hebben in het gebruik van koppels en deze in de praktijk gebruiken bij het aanleggen en afvaren bij boxen en steigers. In staat zijn een boot op de plaats stil te houden.
23.

Eenvoudige navigatie, weerberichten uitluisteren

Het lezen van een waterkaart, afstanden kunnen afpassen, kunnen werken met een koersplotter of -liniaal, bekend zijn met de begrippen variatie en deviatie, hoog en laag water. Het kunnen berekenen en met de almanak kunnen werken. Weerberichten uitluisteren en vastleggen, beperkte kennis meteorologie, het globaal kunnen lezen van een weerkaart.
27.

Vlagvoering

Kunnen handelen volgens de jachtetiquette en bekend zijn met de seinvlaggen genoemd in BPR en Vaarbewijs I.