Dit diploma is bedoeld voor personen die blijk hebben gegeven onderstaande functies te kunnen uitvoeren als schipper van een kajuitzeiljacht op binnenwateren. Men kan onder omstandigheden tot 6 Beaufort zelfstandig, veilig en verantwoord varen en manoeuvreren op stilstaand en stromend water (incl. Zeeuwse stromen en Wadden). Hij moet daarbij leiding kunnen geven aan de bemanning aan dek en zelfstandig kunnen navigeren.
| 1. | Controle van schip en (veiligheids)uitrustingControle op het veilig functioneren van staand en lopend want, structurele onderdelen van het schip en voortstuwingsmiddelen, bereikbaarheid en functionaliteit van de veiligheidsuitrusting. |
| 6. | Trimmen van zeilen, staand- en lopend wantZorgdragen voor een correcte stand van de zeilen, alsmede trim van voor-, onder- en achterlijk en gebruik van de overloop en hekstag. |
| 7. | Leidinggeven aan de bemanningDuidelijke commandovoering tijdens voorbereiding en uitvoering van de manoeuvre, inzet van de bemanning op de juiste manier. |
| 12. | Aankomen aan en afvaren van lager wal op de motorAanleggen op een lager walsteiger door gebruik te maken van de wind en het afvaren hiervan d.m.v. het gebruik van springen. |
| 13. | Drenkeling bij man over boord veilig aan boord krijgen en behandelenWeten hoe te handelen bij het aan boord brengen van een drenkeling die lang in het water heeft gelegen en de mogelijkheden die hiertoe aanwezig zijn te benutten alsmede de nabehandeling van de drenkeling. |
| 14. | BijliggenHet schip stil kunnen leggen d.m.v. fok bak en roer voor loevend schip. |
| 17. | Ankeren in de laag, met hekanker afmeren in havensAnkermanoeuvres aan lager wal uit kunnen voeren op zowel motor als op zeil en het schip (indien nodig) kunnen keren. Aanleggen op steigers of kademuren met behulp van een hekanker of een tweede anker. |
| 20. | Manoeuvreren op de motor bij bruggen, sluizen en havens en omgaan met druk scheepvaart verkeerHierbij moet ook de problematiek van grote schepen bekend zijn. |
| 21. | Slepen en gesleept wordenEen schip kunnen losslepen of gewoon slepen waarbij de bevestiging van de sleeptros op een veilige plaats gebeurt. |
| 23. | Navigatie en meteo op het niveau Vaarbewijs IIHet kunnen gebruiken van alle soorten almanakken en waterkaarten zoals in gebruik voor de binnenwateren. Koersen kunnen berekenen met variatie, deviatie, drift en stroom en waterstanden kunnen berekenen. Zichtpeilingen kunnen maken en in de kaart kunnen zetten. Verder in staat zijn om de aanwezige navigatie-apparatuur te controleren op fouten. |
| 24 | Praktische bediening marifoon voor nautische doeleindenBekend zijn met de functies van de noodkanalen en de aanroepprocedures |
| 26 | Tochtvoorbereiding, zelfstandig aanlopen van havensEen tocht kunnen plannen op binnenwater, rekening houdende met alle aanwezige obstakels, zoals bruggen sluizen, ondiepten en drukke scheepvaartroutes. |