CWO-diploma Roeiboot I/II

Het CWO-diploma Roeien l/ll wordt uitgereikt aan personen die blijk hebben gegeven de volgende onderdelen onder gunstige omstandigheden te beheersen op meren, kanalen en plassen.

Eisen praktijk

  1. Het schip vaarklaar maken en klaarmaken voor de nacht.
  2. Roeicommando's opvolgen.
  3. Roeimanoeuvres uitvoeren.
  4. Het schip afmeren.
  5. Bomen, jagen en wrikken.
  6. Dagelijks onderhoud.
  7. Een dagtocht maken.

Eisen theorie

  1. Roeitermen.
  2. Onderdelen van een roeiboot.
  3. Veiligheidsvoorschriften en maatregelen.
  4. Reglementen.
  5. Voorbereidingen voor een dagtocht.

Toelichting op de praktijkeisen

1.

Boot vaarklaar maken en klaarmaken voor de nacht

  • Riemen controleren. Riemen in de juiste positie leggen: blad naar de boeg en de slagriem boven aan de binnenkant.
  • Controleren op aanwezig lek- of regenwater.
  • Inventaris opruimen. Landvasten op de juiste manier beleggen.
  • Controle op aanwezigheid volledige inventaris, zoals riemen, dollen, vaarboom, landvasten, hoosvat en drijfhulpmiddelen.
2.

Roeicommando's opvolgen

De kandidaat moet de volgende roeicommando's kennen en op bevel van de schipper kunnen uitvoeren:
Roeiklaar:
Roeier zit iets voorover met gestrekte armen aan de riem, met gesneden (horizontaal) blad boven het water.
Gelijk:
De riem wordt een kwartslag gedraaid. Riem wordt in het water gezet en roeier gaat met gestrekte armen naar achteren hangen waardoor het blad naar de boot geduwd wordt.
Haalt op:
Roeier haalt, onder het weer terugkomen in de roeiklaar positie, de riem uit het water en draait deze weer een kwartslag.
Op riemen:
De roeiers zitten roeiklaar met hun riemen uit het water en wachten op een commando.
Stopt af:
Dit commando dient om de snelheid uit de boot te halen
De roeiers steken onmiddellijk hun riem in het water en oefenen zo gewicht op hun riem uit zodat deze dwars op de boot blijft.
Beide boorden strijkt gelijk:
Dit commando dient om de boot recht naar achteren te varen
De riem gaat (bijna verticaal) te water en er wordt tegen de riem geduwd (tegengestelde roeibeweging).
Riemen op:
Bij dit commando komen de riemen recht overeind in de boot te staan en maakt één of beide boorden vrij.
Door het handvat in de boot te duwen en met één hand de riem overeind te zetten, komt de riem in de boot te staan. De riemen staan zo dat de bladen gesneden zijn (de scherpe kant van het blad wijst naar voren en achteren).
Riemen toe:
Dit commando zorgt ervoor dat de riemen in de dollen gezet worden en dat met roeien gestart kan worden. De riemen staan nu dwars op het dolboord met gesneden bladen.
Los voor en los achter:
Bij deze commando's worden de landvasten aan de kant losgemaakt.
Zet af:
Dit commando zorgt ervoor dat de boot afgezet wordt van de kant.
Lopen riemen:
Dit commando dient om een smalle doorvaart te passeren.
De roeiers halen hun riemen uit het water en draaien deze zo dicht mogelijk langs de boot met de bladen naar de spiegel.
Riemen over:
Dit commando kan gebruikt worden bij een korte pauze.
De roeiers trekken hun riemen over de kuip naar binnen zodat het helft van de riem aan de andere zijde van de boord komt te liggen.
Riemen geroeid:
Dit commando wordt gebruikt bij het stoppen met roeien.
De riemen worden binnengehaald (netjes verdeeld over beide boorden) met de bladen in de richting van de boeg en de dollen worden uit de dolpotten gehaald.
3.

Roeimanoeuvres uitvoeren

De commando's van de schipper kunnen opvolgen om de volgende manoeuvres te kunnen uitvoeren:
a. Een acht varen:
De acht wordt gevaren zonder roergebruik, waarbij twee rondjes in tegengestelde richting van elkaar gevaren worden. De bochten worden uitgevoerd door de ene boord te laten halen en de andere boord te laten strijken.
b. Aanleggen aan hoger wal:
Het schip moet in de wind aangelegd worden met behulp van roeicommando's op een van tevoren aangewezen punt. Hierbij moet het schip zonder noemenswaardige kracht afgehouden kunnen worden.
4.

Boot afmeren

Afmeren langszij:
Het schip moet afgemeerd kunnen worden langszij een ander schip of op een afmeerplaats. Stootkussens gebruiken om beschadigingen te voorkomen.
Het schip kunnen afmeren met het juiste gebruik van voor- en achtertros en voor- en achterspring, indien nodig.
5.

Bomen, jagen en wrikken

Met de roeiboot alleen of met bemanning kunnen:
a. Bomen (m.b.v. een vaarboom het schip kunnen voortbewegen en sturen).
b. Jagen (met een aantal mensen het schip met behulp van een lijn vooruit trekken). De lijn moet zò op een plek vastgemaakt worden, dat de boeg niet naar de kant getrokken wordt. Dus ergens vlak bij het draaipunt van de boot. De lijn moet lang genoeg zijn en de driftbeperkende middelen moeten gebruikt worden (Let op de natuur en andermans spullen).
c. Wrikken: (m.b.v. één riem vanaf het achterdek het schip voortbewegen).
De boot moet door het wrikken sturend verhaald kunnen worden bij rustig weer.
6.

Dagelijks onderhoud

  • De boot netjes opruimen en de vuilnis in een vuilnisbak doen.
  • Beschadigingen bijwerken.
7.

Een dagtocht maken

Meegeholpen hebben met de voorbereiding voor een dagtocht, bestaande uit het ervoor zorgen dat de inventaris compleet is en zorgen voor voldoende voedsel en drinken. Als roeier de dagtocht meemaken.

Toelichting op de theorie-eisen

1.

Roeitermen

De volgende begrippen kennen: slagroeier, midroeier, boegroeier, roerganger, stuurboord, bakboord, hoger wal, lager wal.
2.

Onderdelen van een roeiboot benoemen

Van de eigen boot in de praktijk of op een tekening minstens 10 onderdelen van het casco en de verplichte inventaris kunnen benoemen, zoals: steven, boeg, hek, dolboord, doften, roer, helmstok, stuur- en bakboord, roeiriem, wrikriem.
3.

Veiligheid

Kunnen aangeven wat er gedaan moet worden bij plotseling slecht weer.
De eisen kennen die gesteld moeten worden aan een goed drijfhulpmiddel.
4.

Reglementen

a. Kunnen omschrijven wat bedoeld wordt met het begrip: klein schip (1.01-i ; alleen de bepaling over de lengte).
b. Met eigen woorden de strekking van de artikelen 1.04 (voorzorgsmaatregelen) en 1.05 (afwijking reglement) kunnen weergeven.
c. De volgende regels uit het BPR aan de hand van situatieschetsen of vragen kunnen toepassen.
6.02(uitwijkregel tussen klein schip en een ander schip)
6.03a-2(zeil-, spier-, motor)
6.03a- 4(kruisende koersen ontstaan door oversteken e.d.)
6.04-2 en 3(tegengestelde koersen)
6.10-1(oplopen en voorbijlopen)
d.De verlichting kennen van een m.b.v. spierkracht bewogen klein schip ( 3.13).
e.Weten dat naast het BPR nog andere reglementen kunnen gelden en weten waar het BPR en deze andere reglementen gevonden kunnen worden
5.

Voorbereidingen voor een dagtocht

Aan kunnen geven welke acties er ondernomen moeten worden om een goede en veilige dagtocht te maken. Deze bestaan uit:
  • Controleren verplichte inventaris.
  • Interpreteren van weervoorspelling m.b.t. de veiligheid van het varen met een roeiboot. Het tijdig kunnen herkennen van voortekenen van plotselinge weersveranderingen zoals onweer en zware windvlagen.
  • Zorgen voor voldoende eten en drinken, afgestemd op de lengte van de tocht.
  • Zorgen voor noodtelefoonnummer.
  • Vooraf bepalen van route aan de hand van een waterkaart