Diploma Windsurfen Allround/Fun/Branding I

Het CWO-diploma Windsurfen Allround/Fun/Branding I is bedoeld voor personen die bewezen hebben de eerste beginselen van het surfen op een windsurfplank, uitgerust met zwaard, onder gunstige omstandigheden (onder toezicht, regelmatige wind t/m kracht 3 Beaufort, rustig en beschut vaarwater) te beheersen:

Surfplank en uitrusting

  1. Surfplank met zwaard.
  2. Zeiloppervlak zodanig dat de surfer dit fysiek kan hanteren en met de surfplank naar omstandigheden normale snelheid kan ontwikkelen.
  3. Giekhoogte voldoende aangepast aan de lengte van de surfer.
  4. Schoeisel.
  5. Wetsuit/steamer/drysuit als de omstandigheden dat vereisen.
  6. Zwemvest of trapeze met drijfvermogen als de omstandigheden dat vereisen.

Eisen praktijk

  1. Op- en aftuigen.
  2. Dragen van surfplank en tuig.
  3. Veiligheid.
  4. Komen tot vaarhouding.
  5. Koersen, houding en zeilstanden.
  6. Overstag gaan.
  7. Gijpen.
  8. Opkruisen.
  9. Wegsurfen en aankomen.

Eisen theorie

  1. Schiemanswerk.
  2. Surftermen.
  3. Onderdelen.
  4. Veiligheid.
  5. Reglementen.
  6. Krachten op de surfplank en hun gevolgen.

Toelichting praktijkeisen

1.

Op- en aftuigen

Zeil aan mast bevestigen en afstellen. Giek aan mast bevestigen en afstellen. Zeil aan giek bevestigen en afstellen. Zeillatten in het zeil bevestigen. Zwaard en tuig op de plank aanbrengen. Controle onderdelen op deugdelijkheid.
Na gebruik surfplank aftuigen en materiaal schoonmaken en opruimen.
2.

Dragen van surfplank en tuig

Juiste draaghouding, voorkomen van hinder voor omgeving en beschadigingen.
3.

Veiligheid

  • Noodstop d.m.v. laten vallen van het tuig en, indien nodig, zich aan loef van de plank laten glijden en de plank afstoppen.
  • Noodpakket maken op het water.
  • Noodsein geven.
  • Gesleept worden door volgboot of andere surfer.
4.

Komen tot vaarhouding

Optrekken van het tuig. Vanuit basispositie wegvaren op halve windse koers.
5.

Koersen, houding en zeilstanden

Tijdens het uit het water trekken en voltrekken van het zeil en tijdens het varen in staat zijn met een juiste lichaamshouding te werken teneinde blessures te voorkomen. Deze techniek behoeft nog geen ingeslepen automatisme te zijn. Oploeven en afvallen en het kunnen varen van diverse koersen, uitgezonderd hoog aan de wind.
6.

Overstag gaan

Beginnersoverstag. Oploeven tot ongeveer in de wind. Evt. via vastpakken van ophaalkoord of mast, voor de mast langs overstappen naar de andere boeg. Plank ondertussen laten doordraaien tot maximaal halve wind op de nieuwe koers en het zeil weer geleidelijk voltrekken. Dit alles in rustig tempo.
7.

Gijpen

Beginnersgijp. Afvallen tot ongeveer voor de wind. Evt. via ophaalkoord of mast het zeil voorlangs de boeg laten veranderen. Plank ondertussen laten doordraaien tot maximaal halve wind op de nieuwe koers en weer voltrekken. Dit alles in rustig tempo.
8.

Opkruisen

In breed vaarwater. Enigszins hoogte kunnen winnen door het maken van slagen. Hoog aan de wind varen en dwarspeiling maken hoeven nog niet beheerst te worden.
9.

Wegsurfen en aankomen

Niet al te ver van een van tevoren bepaalde plaats, met weinig snelheid, veilig kunnen aankomen. Veilig kunnen afvaren, zonder andere watergebruikers te hinderen, zowel aan hoger- als lager wal.

Toelichting theorie-eisen

1.

Schiemanswerk

Steken en hun toepassing:
Twee halve steken, slipsteek, mastworp, paalsteek, achtknoop en draaksteek.
2.

Surftermen

Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met 15 van de volgende termen:
  • Oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, basishouding (uitgangshouding), start vaarhouding.
  • Loef, lij, hoger wal, lager wal, onderlangs, bovenlangs, bakboord, stuurboord, SB/BB-boeg surfen.
  • Killen, bezeild, niet bezeild, kruisrak, laveren, slagen maken, hoogte winnen en verlijeren.
3.

Onderdelen

Minimaal 10 onderdelen van de eigen surfplank kunnen benoemen:
  • Zeil: voor-, achter-, onderlijk, top-, hals-, schoothoek, zeillatten, zeillattenzakjes, venster, mastslurf(masthoes), neerhaler, uithaler, inhaler.
  • Plank: boeg, spiegel, vin of skeg, zwaardkast, mastgat, mastrail, base plate, zwaard.
  • Mast en giek: mastvoet, diabolo, masttop, mastbeschermer, ophaalkoord, variogiek, snelkoppeling, variotop.
4.

Veiligheidseisen

Materiaal:
  • Kunnen controleren of plank en toebehoren in goede staat zijn.
  • Transport van materiaal op de weg.
  • Transport van materiaal naar het water.
  • Eisen goede surfkleding met betrekking tot zwemvest of trapeze met drijfvermogen, schoeisel, wetsuit, steamer, drysuit, handschoenen.
  • Nut verzekering van het materiaal.
Jezelf:
  • Zorg dat je in goede gezondheid bent en mocht je toch gaan terwijl je je niet zo goed voelt, overschat jezelf dan niet.
  • Gevaar zonverbranding en zonnesteek.
  • Gevaar onderkoeling.
  • Melden aan derden dat je gaat surfen en waar.
  • Nut verzekering (WA).
  • Nut warming up en cooling down.
  • In noodgevallen bij de surfplank blijven.
Omgeving:
  • Keuze van vaarwater, de omstandigheden kennen met betrekking tot: diepte van het water, aanwezigheid van vaarroutes, stroming en/of getijden, muien en zwinnen, windrichting, zwemmers, bodemgesteldheid, ge- en verboden.
  • Weerbericht beluisteren en kunnen interpreteren, niet alleen vanwege de wind maar ook voorspellingen over onweer, drukgebieden, zon.
5.

Reglementen

  • Kunnen omschrijven wat bedoeld wordt met het begrip: klein schip art. 1.01-i; alleen de bepaling omtrent de lengte.
  • Met eigen woorden de strekking van de artikelen 1.04 (voorzorgsmaatregelen) en 1.05 (afwijking reglement) kunnen weergeven.
  • De volgende regels uit het BPR aan de hand van situatieschetsen kunnen toepassen:
    6.02Uitwijkregels tussen klein schip en een ander schip.
    6.03a-2Zeil-spier-motor.
    6.03a-3Kruisende koersen kleine zeilschepen onderling.
6.

Krachten op de surfplank en hun gevolgen

In eigen bewoordingen en eventueel met gebruik van tekeningen verklaren hoe een surfplank d.m.v. verplaatsen van zeilpunt t.o.v. lateraal punt gestuurd kan worden.