CWO-diploma Windsurfen Allround IV

Dit examen is bedoeld om de eigen vaardigheid van de kandidaat Windsurfinstructeur-A Allround te testen. Het examen resulteert in een melding aan het CWO-secretariaat. Op verzoek kan het 'deelcertificaat Eigen Vaardigheid Instructeur-A Windsurfen Allround' uitgereikt worden.

Surfplank en uitrusting

  1. Surfplank met zwaard.
  2. Zeiloppervlak zodanig dat de surfer dit fysiek kan hanteren en de surfplank een naar omstandigheden normale snelheid kan ontwikkelen.
  3. Giekhoogte voldoende aangepast aan de lengte van de surfer.
  4. Trapeze + trapezelijn.
  5. Schoeisel.
  6. Wetsuit/drysuit/steamer als de omstandigheden dat vereisen.
  7. Zwemvest of trapeze met drijfvermogen als de omstandigheden dat vereisen.

Eisen praktijk

  1. Op- en aftuigen.
  2. Trimmen.
  3. Dragen van surfplank en tuig.
  4. Veiligheid.
  5. Koersen, zeilstanden en houding.
  6. Planeren en voetsturing.
  7. Zwaardgebruik.
  8. Trapeze varen.
  9. Overstag.
  10. Gijpen.
  11. Waterstart.
  12. Opkruisen.
  13. Pompen.
  14. Wegsurfen en aankomen hoger.wal.
  15. Wegsurfen en aankomen lager.wal.
  16. Toepassen reglementen.
  17. Freestyle en manoeuvres.
  18. Tochten surfen.
  19. Wedstrijdsurfen.
  20. Varen en slepen met een volgboot.
  21. Uitvoeren van de manoeuvres en technieken van diploma I t/m III.

Eisen theorie

  1. Schiemanswerk.
  2. Windsurftermen.
  3. Onderdelen.
  4. Veiligheid.
  5. Reglementen.
  6. Krachten op surfplank en hun gevolgen.
  7. Gedragsregels.
  8. Weersinvloeden.
  9. Onderhoud.
  10. Vaarproblematiek andersoortige schepen.
  11. Wedstrijdsurfen.
  12. Materialen en bouwwijzen.

Toelichting praktijkeisen

1.

Op- en aftuigen

Zeil aan mast bevestigen en afstellen. Giek aan mast bevestigen en afstellen. Zeil aan giek bevestigen en afstellen. Zeillatten in het zeil bevestigen. Aanbrengen van trapezelijnen aan de giek op de juiste hoogte. Zwaard en tuig op de plank aanbrengen. Controle onderdelen op deugdelijkheid. Na gebruik surfplank aftuigen en materiaal schoonmaken en opruimen.
2.

Trimmen

Zeil: neerhaler strak aantrekken (hoe meer wind hoe strakker) en de uithaler laten vieren tot de gewenste bolling is bereikt. Dus met meer wind minder bolling door middel van meer spanning op de uithaler en neerhaler. Zeillatten bij meer wind losser (minder bolling), de plooien dienen ieder geval weg te zijn. Na het insurfen moet het tuig voor een optimale trim even bijgetrimd worden zodat eventuele plooien verdwijnen.
Trapezelijnen: zo afstellen dat men er op het land ingehaakt met losse handen in kan hangen.
Mastrail: aan de windse rak mastrail naar voren voor een groter nat oppervlak waardoor we meer grip op het water hebben en dus hoger kunnen varen. Ruime windse rak mastrail naar achter voor kleiner nat oppervlak. Is de surfplank loefgierig dan de mastvoet naar voren.
Skeg: over het algemeen staat de skeg op één plaats (achter de achterste voetband). Naar voren is voor een kortere bocht. Naar achteren is voor meer speed.
3.

Het dragen van surfplank en tuig

Het tuig en de surfplank moeten afzonderlijk naar de waterlijn worden gebracht, waarbij rekening met de wind moet worden gehouden. De mastvoet moet goed vastzetten en het zwaard op de juiste wijze in de surfplank steken.
Vanaf de waterlijn dienen surfplank en tuig zover in het water te worden gedragen dat de skeg vrij is. Bij het dragen wordt het surfplank vastgepakt met de voorste hand en de andere hand aan de giek. Hierbij dient de mast naar de windrichting te worden gehouden zodat de wind het tuig kan 'dragen'.
4.

Veiligheid

Noodstop op 2 manieren:
1. Tuig en surfer in het water.
2. Zeil tegen de wind induwen (stopgijp).
Noodpakket en gesleept worden.
Slepen van surfplank met andere surfer.
Vervoeren van andere surfer op de surfplank.
Aandacht voor omgeving hebben en desgewenst zodanig reageren dat de veiligheid is gewaarborgd.
5.

Koersen, zeilstanden en houding

Snel kunnen oploeven en afvallen met gebruik van voet- en zeilsturing, zonder snelheidsverlies of gebruik van ophaalkoord. Alle koersen goed varen, zowel planerend als niet planerend met juiste zeil- mast en voetstand. Tijdens het surfen het toepassen van de derde voettechniek. Tijdens de vereiste manoeuvres een juiste lichaamshouding aanhouden teneinde blessures te voorkomen. Bij weinig wind dient het tuig rechtop gevaren te worden. Bij veel wind dient het tuig dichtgetrokken te worden. Tijdens het varen dienen vlagen en luwtes op een juiste manier te worden opgevangen.
6.

Planeren en voetbesturing

Door plaatsing van voeten en gewicht het board vlak (zowel in de lengte- als in de breedterichting) op het water kunnen varen. Tevens dienen manoeuvres te worden ondersteund door de juiste zijde van het board te belasten.
7.

Zwaardgebruik

Zwaard indien de koers of snelheid het toelaat direct gedeeltelijk of geheel wegklappen of ophalen.
8.

Trapeze varen

Tijdens het surfen op alle koersen, met uitzondering van voor de wind, kunnen in- en uithaken van de trapezelijnen. Het varen met de trapeze mag alleen voordeel opleveren en nooit ten koste gaan van snelheid en hoogte.
9.

Overstag

Gevorderdenoverstag: zonder gebruik van het ophaalkoord, van hoog naar hoog aan de wind, met behoud van snelheid, voetsturing gebruiken.
10.

Gijpen

Gevorderdengijp: zonder gebruik van het ophaalkoord. Voet- en zeilsturing zowel met- als zonder gebruik van het zwaard van een ruime naar een ruime windse koers in een korte- en in een ruime bocht. Bij de ruime bocht dient de snelheid behouden te blijven.
11.

Waterstart

Vlot het zeil en plank tot een startpositie kunnen manoeuvreren. Vanuit de uitgangspositie op een halve/aan de windse koers door middel van het zeil uit het water kunnen komen en de koers vervolgen binnen een niet al te lange tijd verder surfen.
12.

Opkruisen

In woelig en/of nauw vaarwater goed hoog aan de wind varend slagen maken en zodoende zonder onnodig hoogteverlies opwerken tegen de wind. Opmerken en toepassen van de lange en korte slag. Direct reageren op windveranderingen door koers te wijzigen met behoud van snelheid of overstag te gaan. Een optimale verhouding kiezen tussen snelheid en hoogte.
13.

Pompen

Door middel van het maken van krachtige bewegingen met het zeil zorgen voor een grotere voortstuwing. Tevens in staat zijn hierdoor de plank in plané te brengen bij momenten van minder wind.
14.

Wegsurfen en aankomen hoger wal

Aanlopen bovenwinds gelegen punt: bovenwinds punt met behulp van dwarspeiling aanlopen op hoog aan de windse koers met een optimale verhouding tussen snelheid en hoogte.
Hoger wal: niet al te ver van een van tevoren bepaalde plaats met weinig snelheid, veilig kunnen aankomen. Veilig kunnen wegsurfen zonder andere watergebruikers te hinderen. Regelen van de snelheid, zodat er geen gevaar voor anderen, jezelf of het materiaal ontstaat.
15.

Wegsurfen en aankomen lager wal

Regelen van de snelheid zodat er geen gevaar voor anderen, jezelf of het materiaal ontstaat.
Veilig aankomen aan de lager wal zonder gevaar voor anderen, jezelf of het materiaal ontstaat.
Opkruisen vanaf lager wal in woelig water.
16.

Toepassen reglementen

De voor dit niveau geëiste reglementen op het water toepassen, zowel tijdens het varen van de wedstrijd (Wedstrijdreglement) als tijdens het varen van de rest van het examen (BPR).
17.

Freestyle en manoeuvres

Van de volgende 5 manoeuvres en/of technieken er drie kunnen uitvoeren:
  • Surfplank 360° draaien.
  • Zeil 360° draaien.
  • Achteruit varen.
  • Wheely.
  • Rail-riden (vooruit).
18.

Tochten surfen

Op verantwoorde wijze, d.w.z. rekening houden met voorbereiding, materiaal, route en weer, voor een groep surfers een tocht plannen en begeleiden.
19.

Wedstrijdsurfen

Het varen van een wedstrijd. Starten, boeien ronden en weten wat tactiek inhoudt. Kennis van het wedstrijdreglement en toepassen van het wedstrijdreglement bij de start, boeien en in de rakken.
20.

Varen en slepen met een volgboot

Omgaan met een (buitenboord)motor. Dagelijks onderhoud aan de volgboot en de (buitenboord) motor. Een breekpen kunnen vervangen. Sleep formeren en ontbinden. Ankeren en anker op gaan met een volgboot.
21.

Uitvoeren van de manoeuvres en technieken van diploma I t/m III

Alle handelingen van diploma I, II en III zeker, doeltreffend en technisch-goed kunnen uitvoeren en uitleggen, zodat het duidelijk wordt voor de cursist. Dit betekent ook dat fouten snel opgemerkt en verbeterd worden.

Toelichting theorie-eisen

1.

Schiemanswerk

De volgende steken bij naam kennen en op verzoek kunnen leggen:
Twee halve steken, waarvan de eerste slippend, mastworp (2 manieren), paalsteek, schootsteek (enkel en dubbel), draaksteek (inhalersteek). Tevens dient de functie van deze knopen en steken gekend te worden.
Kunnen aangeven dat touwsoorten kunnen verschillen in: rekvermogen, breeksterkte, slijtvastheid, wateropname en U.V.-bestendigheid. Het verschil tussen geslagen en gevlochten touwwerk moet herkend worden. Bovendien moet voor de verschillende lijnen die bij het windsurfen worden gebruikt, kunnen worden aangegeven welke soort touwwerk geschikt is en welke van deze eigenschappen een rol spelen.
2.

Surftermen

Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen:
Oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, in de wind, aan de wind, ruime wind, voor de wind, basishouding (uitgangshouding), start vaarhouding, stopgijp, dwarspeiling, voetsturing, aankomen, afvaren, spin out, twist, overpowerded, snijden van de plank, loef, lij, hoger wal, lager wal, onderlangs, bovenlangs, bakboord, stuurboord, SB/BB-boeg varen, killen, bezeild, niet bezeild, kruisrak, laveren, slagen maken, verlijeren.
3.

Onderdelen

Van de eigen surfplank kunnen benoemen:
Zeil: voor-, achter-, onder-, top-, hals, schoothoek, zeillatten, zeillattenzakjes, venster, mastslurf, neerhaler, uithaler, inhaler, leechline, cambers, bolling, geprofileerde zeillatten.
Plank: boeg, spiegel, vin of skeg, zwaardkast, mastgat, mastrail, base plate, zwaard, scoop, rocker, boardprotector, voetbanden.
Mast en giek: mastvoet, koppeling, masttop, tuig en plankverbinding, diabolo, ophaalkoord, variotop, mastbeschermer, snelkoppeling, klapgiek, variogiek, trapezes en trapezelijnen.
4.

Veiligheid

Zie Allround/Fun/Branding I theorie-eis 4 'Veiligheid'.
5.

Reglementen

Zie Allround III theorie-eis 5 'Reglementen'.
Tevens de betekenis van de rode en groene (splitsings)tonnen volgens het Signi-systeem kennen. Het gebruik van waterkaarten alsmede de Almanak voor Watertoerisme (deel 2) dient bekend te zijn.
6.

Krachten op de surfplank en hun gevolgen

Weten hoe een surfplank zijn voortstuwing krijgt (o.a. wet van Bernouille), wat de snelste koers is, aangeven hoe een surfplank in plané komt.
7.

Gedragsregels op het water

Goede gebruiken ten opzichte van medewatersporters en kustgebruikers.
8.

Weersinvloeden

Het belang kennen van het beluisteren van het weerbericht en kunnen aangeven welke gevolgen dit heeft voor de keuze van het vaarwater. Het tijdig kunnen herkennen van voortekenen van plotselinge weersomslagen zoals onweer en zware windvlagen.
Weten welke windsnelheden (in m/sec) horen bij de verschillende stappen van de schaal van Beaufort en omgekeerd. Het verband kennen tussen de omschrijvingen die bij waarschuwingen gebruikt worden en het bovenstaande.
10.

Onderhoud

Weten van welk materiaal plank en zeil vervaardigd zijn en welke consequenties dat heeft voor onderhoud en reparaties. Weten waarop gelet moet worden bij controle van het materiaal en weten hoe kleine reparaties uitgevoerd moeten worden.
12.

Vaarproblematiek andersoortige schepen

Het gevaar kennen van de dode hoek en de zuiging van grote schepen. Weten dat grote schepen (o.a. ten gevolge van hun diepgang) op smal vaarwater niet uit kunnen wijken. Weten dat ook grote vrachtschepen sterk kunnen verlijeren.
14.

Materiaalkennis

Kennis hebben van eigenschappen van al het materiaal en functies van bouw- en ontwerpwijzen van surfplanken, tuigage en skeggen die in het algemeen voorkomen. Tevens kunnen aangeven wat de kenmerken zijn van planken en zeilen in de volgende wedstrijddisciplines:
Wave
Slalom
Course Race