CWO-diploma Zeezeilen III

Dit diploma is bedoeld voor personen, die blijk hebben gegeven onderstaande functies te kunnen uitvoeren als 'Dayskipper'* op een zeegaand jacht en die onder omstandigheden tot 6 Beaufort zelfstandig veilig en verantwoord kunnen varen, manoeuvreren en navigeren op dagtochten langs de kust. Hij/zij moet daarbij leiding kunnen geven aan de bemanning aan dek en zelfstandig kunnen navigeren. De vereiste ervaring voor dit diploma is 750 mijl, waarvan 250 mijl na het behalen van het diploma Zeezeilen II. Deze ervaring moet aannemelijk gemaakt kunnen worden.

Praktijkeisen

  1. Volledige controle van schip en veiligheidsuitrusting.
  2. Zeilvoering onder alle omstandigheden kunnen aanpassen.
  3. Trimmen van zeilen, staand- en lopend want.
  4. Leiding geven aan de bemanning.
  5. Aankomen aan en afvaren van lager wal op de motor.
  6. Drenkeling bij man over boord veilig aan boord krijgen en behandelen.
  7. Ankeren in de laag, met hekanker afmeren in havens.
  8. Opsporen en verhelpen van veel voorkomende storingen.
  9. Manoeuvreren op de motor bij bruggen, sluizen en havens en omgaan met druk scheepvaartverkeer.
  10. Slepen en gesleept worden
  11. Gebruik elektronische navigatie-apparatuur.
  12. Navigatie en meteo op het niveau TKN praktisch kunnen hanteren.
  13. Praktische bediening marifoon voor nautische doeleinden, ook in het Engels.
  14. Tochtvoorbereiding, zelfstandig aanlopen van havens, nachtzeilen.
  15. Beginselen EHBO, omgaan met zeeziekte.
  16. Zeemanschap.

Eisen theorie

  1. Kennis van scheepsconstructie, -beslag en -onderdelen.
  2. Kennis van de factoren die de stabiliteit van een schip beïnvloeden.
  3. Theorie met betrekking tot alle bovengenoemde (praktijk)manoeuvres.
  4. In het bezit zijn van het certificaat TKN.

Toelichting op de praktijkeisen

1.

Volledige controle van schip en (veiligheids)uitrusting

Controle op het veilig functioneren van staand en lopend want, structurele onderdelen van het schip en voortstuwingsmiddelen, bereikbaarheid en functionaliteit van de veiligheidsuitrusting.
6.

Trimmen van zeilen, staand- en lopend want

Zorgdragen voor een correcte stand van de zeilen, alsmede trim van voor-,onder- en achterlijk en gebruik van de overloop en hekstag.
7.

Leiding geven aan de bemanning

Duidelijke commandovoering tijdens voorbereiding en uitvoering van de manoeuvre. Inzet van de bemanning op de juiste manier.
12.

Aankomen aan en afvaren van lager wal op de motor

Aanleggen op een lager walsteiger door gebruik te maken van de wind en het afvaren hiervan d.m.v. het gebruik van achterspring of voorspring.
13.

Drenkeling bij man over boord veilig aan boord krijgen en behandelen

Weten hoe te handelen bij het aan boord brengen van een drenkeling die lang in het water heeft gelegen alsmede de nabehandeling van de drenkeling.
17.

Ankeren in de laag, met hekanker kunnen afmeren in havens

Ankermanoeuvres aan lager wal uit kunnen voeren op zowel motor als zeil en het schip eventueel kunnen keren. Aanleggen op steigers of kademuren met behulp van een hekanker of een tweede anker.
20.

Manoeuvreren op de motor bij bruggen, sluizen en havens en omgaan met druk scheepvaartverkeer

Bekend zijn met de problematiek van grote schepen en zeer grote schepen en hieraan voortijdig de voorgenomen handeling kenbaar kunnen maken.
21.

Slepen en gesleept worden

Een schip kunnen losslepen of gewoon slepen en de sleeptros bevestigen op een veilige plaats.
22.

Gebruik elektronische navigatie-apparatuur

Om kunnen gaan met de aanwezige navigatie-apparatuur (bijv. Decca, LoranC, GPS) en de gegevens hiervan op de juiste manier kunnen interpreteren en in logboek en kaart kunnen verwerken.
23.

Navigatie en meteo op het niveau TKN

  • Het bepalen van de fouten van de aanwezige navigatie-instrumenten.
  • Het uitzetten van koersen en afstanden in de kaart en het bepalen van de te sturen koers met toepassing van variatie, deviatie, stroom en drift (waarbij gewerkt moet kunnen worden met de betrokken kaarten, stroomatlassen, Almanakken en andere nautische boekwerken, stuurtafel, parallelliniaal, driftgegevens).
  • Het bijhouden van het gegist bestek (in betond of bebakend vaarwater de positie bijhouden).
  • Het bepalen, controleren en in de kaart zetten van de positie aan de hand van zichtpeilingen.
  • Het gebruik van het kompas als hulpmiddel bij de navigatie.
  • Het gebruik van de dieptemeter als hulpmiddel bij de navigatie.
  • Het gebruik van het log als hulpmiddel bij de navigatie.
  • Het aanlopen van havens en vaargeulen, zowel bij dag als bij nacht.
  • Het bijhouden van het logboek.
24.

Praktische bediening marifoon voor nautische doeleinden (ook in het Engels)

Bekend zijn met de functies van de noodkanalen en de aanroepprocedures ook voor kuststations en schepen onderling kunnen deelnemen aan verkeersbe-geleidingssystemen.
25.

Tochtvoorbereiding

Zelfstandig aanlopen van havens, nachtzeilen.
Een tocht kunnen plannen over zee, rekening houdende met alle aanwezige obstakels, zoals ondiepten, drukke scheepvaartroutes en gebieden met zware stromingen. Nachttochten waarbij extra aandacht wordt besteed aan de voorzorgsmaatregelen op het gebied van de veiligheid.
30.

Zeemanschap

In de ruimste zin van het woord.

Toelichting bij punt 11 van de theorie

Het examen Theoretische Kust Navigatie wordt tweemaal per jaar afgenomen. Eénmaal na afloop van het winterseizoen (april/mei) en éénmaal na afloop van het zomerseizoen (november).

Exameneisen:

Meer informatie over de exameneisen, opleidingsmogelijkheden, examendata en tarieven kunt u verkrijgen bij het KNWV, Postbus 87, 3980 CB Bunnik, tel.:030-6566564, fax: 030-6564783, e-mail: info@knwv.nl, internet: www.knwv.info.