Het artikel Winstrategie is geschreven door Albert Jurgens in het kader van de trainingen voor de UP Berenburgcup. Omdat het veel nuttige informatie voor iedere wedstrijdzeiler bevat heb ik het integraal overgenomen op deze site.

Op het noordelijk halfrond kun je de ligging van het lage drukgebied bepalen
door met je rug naar de wind te gaan staan. Het lage drukgebied bevind zich dan
aan je linkerkant.
Pressure Gradient Wind is te bepalen door de richting en
snelheid van lage (300 - 1200 meter) wolken te bepalen.
Algemeen: Wanneer lucht door vuur wordt opgewarmd zal deze opstijgen. De
opgestegen lucht wordt vervangen door koude lucht welke langs de zijkant wordt
aangevoerd.
Deze zelfde circulatie ontstaat er bij de tempratuur verschillen
tussen land en water. B.v. als land door de zon wordt opgewarmd.

Fig. 2.3
De groffer de structuur de groter de weerstand. Een gladde zee geeft minder
weerstand dan een bos.
Deze weerstand beïnvloedt de windsnelheid. De groter
de weerstand de langzamer de wind.
Daarnaast heeft het een invloed op de
richting. In het noordelijk halfrond zal de wind door de weerstand tegen de klok
in draaien (backing).

Fig. 2.4
Over een gladde zee zal de Pressure Gradient Wind slechts 15 graden afbuigen.
Echter door een bos zal de oppervlakte windt tot zo'n 40 graden afbuigen.
De snelheidsverminderingen zullen zo'n 10% respectievelijk 40% zijn.

Fig. 2.5
Een kritieke factor in de bepaling van de stabiliteit is de oppervlakte
tempratuur.
Om de weerstand te overbruggen moet er een continue druk naar
beneden zijn.
Lucht dat wordt opgewarmd aan de oppervlakte wordt instabiel,
stijgt op en wordt vervangen door relatief koudelucht van boven.
Gekoelde
lucht wordt stabiel en zal niet verder stijgen. Instabiele lucht zal steeds
opstijgen afkoelen, neerdalen. Dit zal een continue druk op de onderste lucht
laag geven. Hierdoor zal de invloed van oppervlakte wrijving minimaal blijven.
In stabiele lucht is er weinig interactie tussen de verschillende lucht
lagen. Gevolg: Er wordt weinig tot geen druk naar beneden uitgeoefend waardoor
de weerstand grootte invloed op de wind heeft. Welke soms zelfs volledig tot
stilstand kan komen.
De visualisatie is een goede indicatie voor de
stabiliteit.

Fig. 2.6
Op het land zorgt de stijging en daling van de temperatuur tussen dag en
nacht voor grote veranderingen in de wind.
Er zijn natuurlijk zee en land
winden, maar er is ook een groot verschil in stabiliteit.
Gedurende de dag
wordt de lucht aan de oppervlakte steeds instabielere. Dit door het stijgen van
de temperatuur. Hierdoor stijgt de neerwaartse druk en dus de wind sterkte.
Meestal tot een maximum ergens in de middag.
Wanneer de zon daalt zal de
lucht stabieler worden en gaat het zachter waaien.
Als de wind sterk is,
zo'n 25 a 30 knots of meer, is er meestal genoeg turbulentie in de lucht om de
lucht lagen gemixte te houden.
Als er wolken aan de lucht staan zorgen deze
voor een dempend effect. Ze zullen overdag voorkomen dat de oppervlakte zich
opwarmt en 's avonds afkoeling tegen gaan.

Fig 2.7
Daar waar een pakketje koude lucht naar de oppervlakte daalt, is een vlaag
wind.
Daar waar de wind het langste aan de oppervlakte is, is een luwte, dit
is daar waar de lucht stijgt.
Cumulus wolken zijn een zichtbaar bewijs voor
deze stijgende lucht. Uit elk stijgend pakketje lucht vormt zich een wolk.

Fig 2.8
Hierdoor ontstaat een regelmatig patroon in de wind met een periode van 1 a 2
minuten tot 2 uur. Dit patroon zal redelijk constant blijven gedurende de dag.
Wel moet er rekening mee gehouden worden dat het patroon op land of kleine
binnen meren door de weerstand variërend beïnvloed kan worden.
Deze
eigenschappen zijn belangrijk als je op binnen water vaart daar de wind vooral
bepaald wordt door water op het land eromheen gebuurt.

Fig 3.1
Daarnaast zal de stabiliteit van de lucht veranderen als de temperatuur van
het water en land verschillen.
Land en zee warm lucht koel => De wind zal
afbuigen tot ongeveer 1km in zee
Fig 3.2
Land koud zee warm lucht koel => De stabiliteit neemt geleidelijk af. Afbuiging tot ongeveer 3 a 5 km in zee
Fig 3.3
Land koud zee koud lucht relatief warm => Richtingsverandering duurt langer 5 a 6 km. Als het water relatief koud is kan er dicht bij de kust een sterke afbuiging van de wind richting lage drukgebied plaats vinden.
Fig 3.4
Verschil land aan linker of rechter kan wanneer je met je rug naar de wind staat.
Land rechts
Land en zee wind convergeren => sterkere wind langs de
kust tot 25%
Fig 3.6
Land links
Land en zee wind divergeren => zwakkere wind langs de kust
tot 25%
Fig 3.8
Er zullen geen grootte veranderingen op het water plaats vinden. Alle
afbuiging en snelheidsveranderingen zullen op het land plaats vinden.
Echter
wanneer het land erg warm is ten opzichte van het water zal er een luchtstroom
naar het land opgang komen. De warme lucht aan land stijgt op. De leegte wordt
opgevuld door de koude zee lucht. Hierdoor ontstaat een versnelling dicht bij de
kust.
Een eiland heeft een hogere weerstand dan water en zal de oppervlakte wind
dus afremmen en draait zo'n 15 graden tegen de klok.
Als je met je rug naar
de wind staat zal het aan de rechterkant van het eiland zachter waaien en aan de
linkerkant harder als de gemiddelde opp. windt.
Fig 3.12
Een meer heeft een lagere weerstand dan land de opp. wind zal boven het meer
versnellen en draait zo'n 15 graden met de klok.
Wind buigt als hij het land
verlaat. Convergeert en neemt in snelheid toe recht (kijkend naar lagerwal).
Divergeert en snelheid van de wind neemt af links.
Fig 3.13
Teken voor een instabiele lucht.
Warme lucht stijgt en vormt een wolk.
Wolk zuigt lucht over de opp. aan.
Foto page60
Door de regen koelt de lucht in en onder de wolk waardoor, in tegenstelling tot alle andere wolken, de lucht daalt. De wolk straalt aan de opp. wind uit.
Fig
14.2
Wanneer je een wolk ziet regenen, of bijna regenen.
Vaar naar de wolk.
Zit je rechts van de wolk (in de wind kijkend) Dan zal je als je in de
uitstroom van de wind komt in een header komen. Ga overstag en lift met de wolk
mee.
Fig 14.3
Wanneer een vlaag inkomt is het handig te weten waar depressie is.
Wanneer de depressie aan je loef zijde is kan je oploeven in de vlaag.
Bevindt de depressie zich echter aan de lei zijde dan zul je moeten afvallen in
een vlaag.
Op het noordelijk half rond zal het effect het grootst zijn als
je, je links (kijkend naar de wind) van de depressie bevindt.

Fig 5.13t/m5.15 5.16 5.17

